Paradisodebat 2012

Het Paradisodebat wordt jaarlijks georganiseerd als afsluiting van de Uitmarkt en er wordt een opname gemaakt van de staat der dingen in het culturele veld. Halbe Zijlstra was dit jaar aanwezig als eerste spreker en meldde dat hij ‘het zo weer zou doen’. De gewenste effecten van de notoire bezuinigingsmaatregelen, zijn volgens hem positief: de sector steekt meer in op ondernemerschap en de eigen verdienste, de relatie met het lokale wordt verstevigd, en de band met het publiek wordt verstevigd. De shock-effecten van zijn beleid zijn positief uitgevallen. Dat dit beeld niet gedeeld wordt door de sector en de eigen adviserende raden, is daarbij van secundair belang. Het voortouw ligt bij de politiek.

De VVD kan tevreden zijn wanneer de insteek het optimaal realiseren van de eigen agenda is. En die zegt tegenwoordig bij monde van de Teldersstichting en partijideoloog Stef Blok dat een overheid niet de levende cultuurproductie dient te ondersteunen, en ze slechts verantwoordelijk is voor het onderhouden van het erfgoed. In 1 van zijn vergelijkingen had Stef Blok het over dat een postbode ook niet voor zijn werk gefinancierd door de overheid hoefde te worden. Dat is de visie van de liberalen anno nu: cultuur is een particulier zaak, de kunstenaar is een ondernemer en instellingen dienen zichzelf te bedruipen. In feite wordt alle gemeenschappelijkheid dat een ander oogmerk heeft dan winst genereren, gewantrouwd. Collectieve zorg, onderwijs en cultuur dienen afgebouwd te worden. Tot zover het vertrouwen van de VVD in de mens en zijn onderlinge gedeeldheid. Een radicale turn van een partij die voorheen de kunsten goed gezind was en die zich bewust van zijn inbedding in en verbondenheid met het politieke landschap.

In het rapport van Berenschot dat vervolgens werd gepresenteerd, werd duidelijk dat de gemeenten een andere visie zijn aangedaan: zij repareren voor een groot deel de kortingen van het Rijk op de producenten van cultuur, of althans korten zij relatief minder in de verhouding erfgoed/levende cultuur. Blijkbaar zijn gemeentes meer overtuigd van het nut van cultuurproductie en hebben ze er minder huiver voor. Toch zullen de werkelijke effecten, in accumulerende zin, van de bezuinigingen door het Rijk pas later werkelijk duidelijk worden. Het valt te bezien in hoeverre het gemeentelijke beleid deze effecten weet te weerhouden. Zelfs de VVD bestuurders in het volgende blok vreesden de gevolgen voor de productiehuizen en gezelschappen in de steden.

De systeemwisseling die tot stand is gebracht binnen het stelsel van kunstenfinanciering, heeft plaats kunnen vinden door de constellatie met de PVV maar is een onvervalst staaltje VVD politiek. De werkelijke draagkracht voor de maatregelen zijn feitelijk uiterst dun en doorgeduwd in een moment met de kleinst denkbare meerderheid. Het is een gewaagde putsch van de liberalen geweest, een risicovol voorschot op de verhoudingen die erna ontstaan.

In het volgende blok werden politici aan de tand gevoeld omtrent hun culturele agenda en partijprogramma’s. Vooral CDA’er Marieke van de Werf had duidelijk moeite met de ontstane situatie. Zij kon niet harder haar sympathie voor de kunst uitspreken dan zij deed, verlegen met de wetenschap dat de bezuinigingen onevenredig hard bij de talentontwikkeling en de sector als geheel is neergekomen. Beleid waarvoor zij verantwoordelijk is en vaak met passie heeft verdedigd.

Met de later op het podium toegevoegde afvaardiging van kunstenaars werd de discussie afgesloten. Zij hadden het over de funeste werking van het beeld dat de politiek had geschapen: subsidieslurpers, uitvreters. En navrant: over de onbetrouwbaarheid van de overheid als partner, die de ene regeerperiode dan weer die invalshoek kiest met bijbehorende bepalingen, dan weer de geldstromen anders organiseert of terugschroeft zoals nu. Tegelijkertijd werd er door niets dan lof vanuit de politici over de kunstenaars uitgestrooid: geef ons de beelden, geef ons de visionaire blik over hoe het zou moeten! Ben ons ten voorbeeld! Toon het ons! En het ging veel over de onmisbare ‘intrinsieke’ waarde van kunst. Wat dat dan volgens hen moet zijn werd echter niet duidelijk. Laat staan waarom die dan zo hard gekort dient te worden.

Wanneer de staat van dingen, de relatie tussen politiek en kunst werkelijk is zoals weergegeven in de presentaties op het podium tijdens het Paradisodebat, dan staat er nog erg veel te doen. Veel van de sprekers hadden het over nu verdergaan in het licht van de ‘nieuwe realiteit’. Toch lijkt het ook zinnig om eens terug te blikken. En dan niet op basis van verwijt maar om een analyse te maken hoe het zover heeft kunnen komen. Hoe kan een land zijn eigen cultuur, cultuurdragers en –vormers zo wantrouwen en veronachtzamen? Als 1 ding duidelijk werd, dan is het dat de partijen weinig van elkaar weten, niet op de hoogte zijn van elkaars mogelijkheden en potentieel, niet op de hoogte zijn van elkaars ontwikkelingen en hoe hierop met visie te reageren. Er is geen wezenlijke dialoog of wederzijdse waardering tussen kunst en politiek. Dat is een ernstige constatering.