WW#5 Wij feliciteren het Rijksmuseum!

This post is also available in: English

Omtrent 1000 journalisten uit binnen- en buitenland, Ruud Gullit in een tv-spotje op ontdekkingstocht door de collectie, een officiële opening door de koningin, meer dan 33.000 bezoekers in het eerste weekend, nationale televisie op de oranje loper en een flashmob van kunstenaar Job Koelewijn: wij feliciteren het Rijksmuseum met haar heropening!

Ook in de nationale en internationale pers niets dan lof. Men is onder de indruk van de ‘nieuwe’ architectuur en het ‘nieuwe’ interieur en natuurlijk de unieke collectie schilderijen en toegepaste kunst. Simon Schama bejubelt in de Britse Financial Times het weerzien met zijn ‘long lost friends’, de schilderijen van Metsu, Vermeer, Ruysdael, Van Bruggen en natuurlijk Rembrandt. En de New York Times kopte met ‘The Rijksmuseum, Reborn.’ In de vaderlandse pers wordt de heropening van het museum vooral in kwantitatieve termen gevierd: 8000 schilderijen in 80 zalen, 2500 bezoekers per uur, meer dan 75.000 kaarten verkocht in de voorverkoop, na 10 jaar verbouwing weer open voor een budget van in totaal € 375 miljoen.

Voor Amsterdam is de heropening van het Rijksmuseum fantastisch nieuws. Het is nog even wachten op het Van Gogh, maar dan is het kwartet aan het Museumplein – oud, nieuw, iconisch en klassiek – weer compleet. Voeg daaraan toe de lange rijen bezoekers voor de ingangen van deze instellingen, en ook het plaatje van een bloeiende en (commercieel) florerende cultuursector is af. Een beeld waarmee de stad zich kan meten met andere kosmopolitische steden zoals Parijs, London, New York.

“Het gaat toch hartstikke goed met de Nederlandse kunst? Kijk naar het Museumplein, lange rijen, meer dan 30.000 bezoekers!” 

Maar, zo weten wij inmiddels, niets is wat het lijkt. Terwijl het Rijksmuseum haar deuren opent, dwongen de recente bezuinigen andere Amsterdamse kunstinstellingen zoals SKOR, NIMK, Virtueel Platform en het Tropentheater het afgelopen jaar haar deuren te sluiten. De bezuinigingen troffen niet alleen het Amsterdamse kunstlandschap, ook Lokaal01 in Breda en de Paviljoens in Almere sluiten. En dit is nog maar het tipje van de ijsberg. De komende jaren staat andere instellingen hetzelfde scenario te wachten, en mochten ze instaat zijn de deuren open te houden dan moeten de klappen opgevangen worden door gedwongen ontslagen, fusies of inkrimping van het programma of aankoopbudget. Dit lot treft overigens ook enkele van de organisaties achter de hernieuwde façades op het Museumplein. En dan laat ik de ondersteuning van individuele kunstenaars en ontwerpers nog buiten beschouwing.

Begrijp me niet verkeerd, het is niet mijn bedoeling om spelbreker te zijn en de feestvreugde rondom de Grande Opening van het Rijksmuseum te bederven. Integendeel, ook ik feliciteer het Rijks, de stad Amsterdam en de Nederlandse bevolking met haar hernieuwde Museum van Nederland. Het enige wat ik met deze tekst hoop te bereiken is een kleine correctie op de beeldvorming.

Het beeld dat nu lijkt te ontstaan – en dat met goed geoliede campagnes wordt bekrachtigd – is dat nu de grote, prestigieuze topinstellingen aan het museumplein hun deuren weer hebben geopend, alles in kunstenland weer koek en ei is. Dit positieve doch eenzijdige beeld is aantrekkelijk in velerlei opzichten: de middenstandsvereniging van het aangrenzende Spiegelkwartier feliciteert het Rijksmuseum en verheugt zich in een toenemend aantal potentiele klanten; de stad ziet de omzet groeien in de zogenaamde culturele infrastructuur (hotels, restaurants en de toeristenindustrie) en investeert dit jaar samen met de musea nog eens € 3 miljoen extra in City Marketing, bovenop het jaarlijkse budget van meer dan € 12 miljoen, zo rekent de New York Times ons voor.

Hier kunnen de kleinere instellingen natuurlijk nooit tegenop. En in de regel wordt dat ook niet van hun verwacht. Maar waar het hier om draait, is beeldvorming en het gemak waarmee het zogenaamde succes van de een als argument gebruikt kan worden tegen de ander. Ik hoor het de dames en heren politici al zeggen: “Het gaat toch hartstikke goed met de Nederlandse kunst? Kijk naar het Museumplein, lange rijen, meer dan 30.000 bezoekers!”

“Hoge bezoekersaantallen + volop media aandacht = succes.” 

Het is een beeld dat in Den Haag aanslaat: hoge bezoekersaantallen + volop media aandacht = succes. Het plaatje beantwoordt aan de idee dat wanneer je vooral in de topsectoren investeert, het met ‘de rest’ wel goed komt. Maar, zo wordt gemakkelijk vergeten, deze topinstellingen hebben vaak decennia, zo niet eeuwen de tijd gehad om zichzelf tot een succesvol en prestigieus instituut te ontwikkelen. Het ongewilde (?) neveneffect van deze eenzijdige beeldvorming is een klimaat van (zelf)genoegzaamheid waarin er nauwelijks ruimte over blijft voor instellingen die zich (zelfgekozen of noodgedwongen) aan deze manier van denken en werken willen onttrekken. Voor sommige instellingen ligt hun kracht juist in het in de luwte ontwikkelen van hun programma’s en projecten. Uit het zicht van de mainstream. Wat overigens niet betekent dat hier geen publiek of waardering voor is, alleen die waarde laat zich niet op eenzelfde manier kwantificeren. Of misschien moet ik zeggen, laat zich niet per direct kwantificeren.

In zijn artikel voor de Financial Times prijst Simon Schama niet alleen de dynamische inrichting van de ‘exhilaratingly brilliant makeover’ van het Rijksmuseum, waarin er een actieve dialoog is gecreëerd tussen de materiele wereld en de culturele verbeelding, hij verwijst ook naar onze historicus Johan Huizinga, die geloofde dat beelden, objecten en tekst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden in het ontstaan van een cultuur. In deze gedachtentrant kon een nieuwe meester (zoals Rembrandt) nooit ontstaan zonder de ‘creatieve kracht van het milieu’ waarin hij zich ontwikkelde. Een gedachtegang die haaks staat op de idee van de solitaire creatieve genie of een opzichzelfstaande topinstelling, en juist de noodzaak van een context, inbedding en levendige basis voor een bloeiende cultuur onderstreept. De inrichting van het Rijksmuseum weerspiegelt deze gedachtentrant, zo schrijft Schama. Nu Den Haag nog, zou ik daar aan toe willen voegen.

Christel Vesters is kunsthistoricus , criticus en curator.

Dit essay is een Weerwoord dat is geschreven op verzoek van Platform Beeldende Kunst. ‘Weerwoord’ is een initiatief van Platform BK en geeft richting aan het debat rondom kunst en cultuur door snel in te springen op het huidige kunstbeleid en berichtgeving over kunst in de media.