WW#6 Gesubsidieerde sponsoring

Dat het gerenommeerde Amerikaanse weekblad The New Yorker nog geen vijf maanden na de dood van Aaron Swartz de door hem ontwikkelde tool Strongbox in gebruik neemt – een open source dropbox waarin anoniem ‘gelekt’ kan worden naar de redactie– is een goede aanleiding om alsnog in te gaan op het werk van deze jonge computerprogrammeur en schrijver. Swartz pleegde in januari van dit jaar op 26 jarige leeftijd zelfmoord. Nadat hij miljoenen wetenschappelijke artikelen illegaal downloadde – die volgens hem openbaar toegankelijk zouden moeten zijn, maar in werkelijkheid alleen inzichtelijk zijn na betaling – kreeg hij de FBI en een leger advocaten achter zich aan en zag zich geconfronteerd met een strafeis van 35 jaar en een boete van 1 miljoen dollar. Deze disproportionele gevolgen van zijn actie worden direct in verband gebracht met de zelfmoord van de jonge internetactivist. Waar de impact van zijn actie eerder raakte ondergesneeuwd onder het persoonlijke drama, stappen wij nu – met enige schroom – over die persoonlijke en juridische kant van het drama heen, om in te kunnen gaan op wat Swartz’ actie voor ons betekent als beeldend kunstenaars, voor het culturele klimaat in Nederland en de discussie over de subsidiëring ervan.

“Ook als kunstenaars maken wij werk en genereren kennis die wordt gefinancierd met belastinggeld.” 

Aaron Swartz streed fel voor open access, voor algemene toegankelijkheid van kennis – als basis voor een open en kritische samenleving – en zeker als voor die kennis is betaald met belastinggeld. Ook als kunstenaars maken wij werk en genereren kennis die wordt gefinancierd met belastinggeld. Dat geldt voor de culturele sector in Nederland, uiteraard voor onderwijs- en kennisinstituten, maar ook bijvoorbeeld gezondheidszorg. Het bijzondere onderscheid dat Swartz met zijn actie blootlegde: de scheiding tussen ‘soorten’ van kennis op basis van hun financiering, met publiek ofwel privaat geld, doet ook een beroep op ons. En roept de vraag op wat er gebeurt als die geldstromen worden verstrengeld, een vraag die op het moment uit de politiek klinkt?

Als kunstenaars hebben wijzelf met veel passie en toewijding artistiek onderzoek gedaan binnen ons werk. Het resultaat daarvan is kennis en esthetiek, die voor het grootste deel, direct of indirect, vanuit publiek geld zijn gefinancierd. De resultaten zijn niet terecht gekomen in een openbare bibliotheek, maar in ons atelier. Ze zijn beschikbaar voor een ieder die er voor wil betalen om het werk te kopen of te lenen voor een tentoonstelling. Net als in de wetenschappelijke artikelen zit dat werk eigenlijk ook achter een ‘betaalmuur’. Hoewel die geringe openbaarheid reden was om subsidiering ter discussie te stellen evenals het steunen van de individuele kunstenaar, is die publieke financiering wel te legitimeren als je de cultuursubsidies opvat als een financiële voedingsbodem van een algemeen cultureel klimaat. Zo gezien dragen de individuen en de kennis die zij creëren bij aan een groter geheel: het bouwwerk van de kennis dat de samenleving dient.

Toegankelijkheid van een enkel wetenschappelijk artikel is voor de leek niet persé relevant, want te ingewikkeld, teveel vaktaal, te gedetailleerd. Dat is vooral interessant voor vakgenoten die een vakgebied verder willen ontwikkelen. Datzelfde gaat op voor de toegankelijkheid van een enkel kunstwerk, ook dat is omgeven door jargon, elitair, moeilijk te doorgronden, en vooral voor vakgenoten bedoeld. Pas in tweede instantie deelt de ‘gemiddelde burger’ in het voordeel van de ontwikkeling van het kunstwerk. Namelijk als de opgedane kennis en esthetische vernieuwing via een trickle-down (of trickle-up) effekt inzichtelijk wordt gemaakt en een plek krijgt binnen het publieke domein. Een subsidiestelsel kortom, dient het algemeen belang.

“Zo gezien dragen de individuen en de kennis die zij creëren bij aan een groter geheel: het bouwwerk van de kennis dat de samenleving dient.” 

Private financiering daarentegen, dient voornamelijk een particulier belang. Of het nu gaat om het kopen van een kaartje aan de balie bij een museum of theater, een commercieel sponsorbelang of het genot van particulier bezit van een kunstwerk van een beroemde kunstenaar waarvan jij een van de ontdekkers bent. Als het over private financiering gaat, zou de eerste vraag in het licht van dit artikel natuurlijk moeten zijn: is de op deze wijze gefinancierde kennis ook algemeen beschikbaar? En in het geval een project deels particulier en deels publiek is gefinancierd? Welk deel van de gegenereerde kennis is dan beschikbaar en welk deel niet?

Waar cultuursubsidies het generieke kunstklimaat ondersteunen, richt de commerciële markt zich op één uitverkoren partij en pikt zo de krenten uit de pap. Daar is niet mis mee. Beide posities, hoe tegengesteld ook, zijn onmisbaar. De fundamentele vraag hier is of die twee niet beter als aparte krachten kunnen blijven opereren.

Aaron Swartz heeft dat juist gezien. Zijn actie om miljoenen artikelen te downloaden laat zien dat wetenschappelijke arbeid niet kan worden gefinancierd op basis van de individuele behoeftes van burgers of bedrijven alleen. Die rijke burger, of dat bedrijf is nooit kapitaalkrachtig genoeg om een heel veld, zij het wetenschappelijk dan wel cultureel, voldoende te ondersteunen. Voor het algemeen belang hebben wij de massaliteit van de belastingbetaler nodig. Net als de wetenschap vraagt ook de kunst en het culturele veld om een kritische massa om tot zinnige reflectie te komen. Dat valt goed te verdedigen naar de belastingbetaler. Die moet het resultaat van onze gedachten dan wel kunnen blijven zien, terwijl de collectioneur of mecenas in onze exclusiviteit moet blijven geloven. Dat is een spagaat, maar wel een onmisbare spagaat.

“Net als de wetenschap vraagt ook de kunst en het culturele veld om een kritische massa om tot zinnige reflectie te komen.” 

De onvergefelijke juridische hetze tegen Swartz en zijn lotgenoten, maakt het bijna onmogelijk om de inhoud van hun werk te kunnen blijven zien, en hun acties op een serieuze maar lichte toon te kunnen vertalen naar zoiets maatschappelijk relevants als het Nederlands kunstsubsidiestelsel. Het gevecht over toegankelijkheid versus ‘betaalmuur’ en publiek versus privaat moet in alle openheid worden gevoerd en niet door advocaten en justitie. Wetenschap en kunst waren wellicht vroeger iets om voor te sterven, in de hedendaagse samenleving zouden daarvoor betere oplossingen moeten zijn.

Esther Polak en Ivar van Bekkum

 

Esther Polak is beeldend kunstenaar op het gebied van nieuwe media. Samen met Ivar van Bekkum vormt zij het kunstenaarsduo Polak van Bekkum.

Dit essay is een Weerwoord dat is geschreven op verzoek van Platform Beeldende Kunst. ‘Weerwoord’ is een initiatief van Platform BK en geeft richting aan het debat rondom kunst en cultuur door snel in te springen op het huidige kunstbeleid en berichtgeving over kunst in de media.