Paradisodebat 2013

In een debat, dat van toon anders was dan vorig jaar (‘kunst is belangrijk’), maar qua inhoud min of meer hetzelfde was (‘kunst is belangrijk als het wat oplevert’), gaf Heleen Crielaard van de Rabobank wellicht het meest verhelderende antwoord van de middag. Op de vraag hoe de Rabobank stond tegenover de stelling, dat kunst ‘besmet’ zou worden door de commerciële belangen van het bedrijfsleven, zei zij: “Wij verwachten wel iets terug van onze investering. Wij willen geen 2e overheid zijn.”

Dat de Rabobank iets terug verwacht van een investering is niet verrassend, dat hoort er gewoon bij als je werk maakt in opdracht van of in samenwerking met een bedrijf. Of dat het uiteindelijke werk ten goede komt of niet, ligt aan de keuzes die je als kunstenaar maakt en hoe je de gegeven speelruimte weet te benutten.

Dat de Rabobank niet het werk van de overheid wilt uitvoeren, zou ook niet moeten verrassen. Dat is namelijk de taak van de overheid. Alleen lijkt de overheid dat zelf niet te beseffen, althans niet zoals die vertegenwoordigd was door de cultuurwoordvoerders in Paradiso.

Een overheid hoort bepaalde taken op zich te nemen en zich daar verantwoordelijk voor te voelen. Daarbij hoort onder meer ondersteuning van de kunst en cultuursector omdat die sector een conceptuele vrijruimte vertegenwoordigt binnen de huidige samenleving. Een ruimte waar anders gedacht kan en mag worden, waar nieuwe ideeën ontwikkeld kunnen worden die weer ‘terug’ kunnen vloeien en opgenomen kunnen worden in de rest van de samenleving. Soms bijna onmiddellijk, soms duurt het een eeuw. Maar juist door zich niet blind te staren op een korte-termijn-winst zorgt de ondersteuning van de overheid voor continuïteit en een klimaat van vertrouwen, dat van levensbelang is voor het ontwikkelen van nieuwe kwetsbare ideeën en voor de gezondheid van de samenleving op langere termijn.

De overheid moet juist garant staan voor marktonafhankelijkheid in de kunstsector (en andere sectoren), door andere verwachtingen te hebben van de kunst die zij sponsort (subsidieert) dan het bedrijfsleven of particuliere financierders. De overheid is tenslotte geen bedrijf, net zo min als de Rabobank de overheid is.

Tijdens het debat werd het pijnlijk duidelijk dat kunst voor het merendeel van de cultuurwoordvoerders alleen als instrument dient om een economisch doel te bereiken, kunst is belangrijk als het de economie helpt. Vragen over de realiteit van de kunstenaar en dat een kunstenaar een ‘ander soort ondernemer is’ dan een slager, werden niet begrepen, en het idee dat je als kunstenaar tijd en concentratie nodig hebt om je werk te maken, werd afgedaan met een verhaal over hoe goed kunstenaars zijn in iets organiseren zonder middelen en zelfs met een paar bijbaantjes erbij hun werk weten te maken.

Deze ‘veerkracht’ werd steeds geroemd. De sector heeft het zo goed gedaan na de bezuinigingen. Er werden een paar voorbeelden van ‘succesvolle’ fusies tussen musea aangehaald. Nooit werd er verwezen naar de vele instellingen die hebben moeten sluiten of hun werknemers en programma’s drastisch moeten inkorten. Ook werd er niet gevraagd – niet eens aan gedacht, vrees ik – of het aanbod nou beter wordt door te fuseren? Goedkoper op de spreadsheet van de overheid, jazeker, maar is dat de maat van kunst en cultuur?

En toch, zo werd gezegd, is de kunstsector erg belangrijk voor Nederland. Als dat zo is, zouden andere sectoren misschien iets van ons kunnen leren, bijvoorbeeld dat het leven en de samenleving om meer zouden moeten draaien dan economische winst. Dat er andere en meer fundamentele waarden zijn, die door de kunsten worden uitgebeeld en heruitgevonden, en die een andere rijkdom voorstaan dan puur monetair. Dat, om met Bas Haring te spreken, een stuk muziek waardevoller is dan een fles shampoo, ook al krijgen we dagelijks het tegenovergestelde te horen.

Aan het eind stelde Carolien Gehrels voor dat meer kunstenaars aan een politieke loopbaan zouden moeten beginnen, om zo wat meer kennis over het onderwerp in de politiek te krijgen. Op zich niets mis mee, maar het zou ook een aardig begin kunnen zijn als de gekozen vertegenwoordigers over een rudimentaire kennis van hun portefeuille beschikten. In tegenstelling tot de meeste kunstenaars, worden zij namelijk wel betaald (gesubsidieerd) voor het werk dat zij doen – en gezien de eisen en dictaten die zij stellen aan kunstenaars, zou je zeggen dat wij ook een beetje kennis van zaken, passie en inzet voor hun eigen portefeullie zouden mogen verwachten.

Het is te hopen dat het mevr. Bussemaker lukt om een begin te maken aan een nieuw beleid, waar een visie op de rol van de overheid als geheel wordt uitgesproken. De politiek moet, nog meer dan de kunstsector, haar eigen bestaansrecht legitimeren, door nieuwe visies voor de samenleving naar voren te brengen in plaats van zich steeds achter het gefaalde idee dat ‘de markt lost alle problemen op’ te schuilen. En ook al is er tegenwoordig weinig visie bij de politiek, waar Mark Rutte een prachtig voorbeeld van gaf met zijn Schoo-lezing, wil dat nog niet zeggen dat er geen visies zijn. Overal in Nederland in kunstacademies, ateliers, galerieën, presentatie-instellingen en musea is te zien hoe kunstenaars, curatoren en schrijvers ideeën ontwikkelen voor de toekomst. Zoals de door mevr. Bussemaker geciteerde Daan Roosegaarde, die met zijn snelweg zondag avond een voorbeeld gaf van hoe je een concreet probleem op een geheel nieuwe manier benadert. Door niet te blijven hangen in bestaande denkwijzen, maar naar echt nieuwe oplossingen te zoeken, ook al lijken die op het eerste gezicht vergezocht en onvoorstelbaar.

En als de politici bereid zijn om te komen kijken naar de ‘oh zo moeilijke’ kunst, zullen ze zien dat het wemelt van de nieuwe benaderingen voor urbane en ecologische uitdagingen – denk aan Urbaniahoeve of Tomas Saraceno – economische en politieke problematieken – bijv. De Meent of Jonas Staal – of esthetische en filosofische vraagstukken zoals in het werk van onder meer Gert-Jan Kocken of Ronald Ophuis. Deze kunstenaars en collectieven laten door hun werk en onderzoek allemaal zien, dat kunst geen andere legitimering nodig heeft zolang zij haar eigen grenzen blijven opzoeken en oprekken, maar dat de nodige vrijheid om dat te kunnen blijven doen, onafhankelijk van markteconomische belangen, voor een groot deel in de handen van politici ligt.

Rune Peitersen