De Nederlandse theatergroep Maatschappij Discordia, hier met ‘Over de kunst’, moet het nu zonder subsidies doen. Bert Niehuis

Hoera, minder cultuur?

Dit opiniestuk werd eerst gebracht in De Standaard.

Voor wie de man en zijn palmares kent, is de recentste column van Peter Vandermeersch (DS 18 januari) niet verbazingwekkend. De hoofdredacteur van NRC Handelsblad (en ex-hoofdredacteur van De Standaard) beweert dat de forse besparingen in Nederland de afgelopen jaren geen nadelen hebben gehad. Hij verheugt er zich over dat vele instellingen, orkesten en gezelschappen door de overheid zijn geschrapt. Lang leve de zuiverende gevolgen van de economische crisis! Het artistieke en culturele overaanbod is bij onze noorderburen in nauwelijks een paar jaar tijd efficiënt weggewerkt!

Er zijn twee dingen aan deze redenering die niet kloppen, hoewel velen de overtuigingen van Vandermeersch helaas delen. Ten eerste is er in Nederland meer verdwenen of bedreigd dan enkel een ‘paar kleine instellingen’. Staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra heeft bijvoorbeeld alle overheidssteun aan tijdschriften – over literatuur, kunst, muziek, architectuur – verboden. Dat betekent dat lange, kwalitatieve of kritische teksten in een klein taalgebied niet meer verspreid of gedrukt kunnen worden, omdat ze nauwelijks levensvatbaar zijn in de huidige ‘conjunctuur’.

De grootste sensationele noemer

Voorts werden vele scholen, academies, theatergezelschappen of musea voor de keuze gesteld: ‘publieksgericht innoveren’ of verdwijnen. Ook dat vindt Vandermeersch vast een goede zaak: die verplichting is immers synoniem met laagdrempelig op zoek gaan naar de grootste en bij voorkeur meest sensationele noemer. Op die manier komt het er niet meer op aan vanuit een overtuiging onderwerpen te kiezen die kunnen verrassen of diversiteit garanderen. Het is zaak te selecteren wat iedereen kent omdat het al heeft gescoord, omdat het hits creëert en zich op een-twee-drie laat wegslikken of -klikken. Op vertrouwde namen mikken, dat moeten openbare instellingen doen; geen kritiek leveren, ieder jaar hogere cijfers boeken, niets moeilijks brengen, en rechtstreeks renderen.

Het weinige overheidsgeld dat naar bibliotheken of musea gaat, wordt besteed alsof het investeringskapitaal in een multinational is. Een kwalitatief verschil is niet het oogmerk, en een verschil met wat door ceo’s tot stand wordt gebracht evenmin. De tijd dat de Lage Landen nog slechts een paar kolossale uitgeverijen, theaterfabrieken en mediaconcerns kennen, lijkt daardoor niet meer veraf. Wie de gevolgen van een dergelijke werkwijze geïllustreerd wil zien, kan het NRC Handelsblad van vijf jaar geleden vergelijken met de krant van nu. Vast is ook dit bedrijf door de ‘publieksgerichte innovatie’ van Vandermeersch weer winstgevend gemaakt. Dat winst ook kan voortvloeien uit koppig en zo kwalitatief mogelijk een ouderwets intellectuele norm aan te houden, door voluit voor tekst te kiezen, door formaten niet te verkleinen, door geen advertentieblad voor luxeartikelen, bekende koppen en restaurants te worden, door niet het internet te imiteren, desnoods als enige krant in het Nederlandse taalgebied – dat is iets wat niet opkomt in het brein van Vandermeersch, of van de meeste mensen die het voor het zeggen hebben. Tevredenheid over gekrompen subsidies, en over de schrapping van wat wél durft af te wijken, is vanuit die optiek niet meer dan consequent.

Leve de schreeuwerige middenmaat

Het leidt echter ook tot de tweede denkfout. Vandermeersch beweert dat door al die besparingen ‘de beschaving’ allesbehalve in gevaar is. Het hangt er natuurlijk vanaf wat onder beschaving wordt verstaan. Dat is immers de grootste paradox in het economische optimisme dat Vandermeersch kenmerkt, en dat steeds meer terrein wint: door voluit te gaan voor wat de maatschappij, ‘de mensen’ en ‘het grote publiek’ willen, ontstaat een vreselijke verschraling van diezelfde maatschappij. De culturele diversiteit verdwijnt, en middelmaat wordt de norm – geen grijze middelmaat, maar felgekleurde, schreeuwerige, oogverblindende middelmaat, die de dag nadien als een kauwgombel openspat en meteen door nieuw geblaas wordt vervangen. En dat is ook het gevolg van de besparingen in Nederland: wat een minderheid van de bevolking doet en belangrijk vindt, wordt binnen die logica – ‘het kan wel een onsje minder’, aldus Vandermeersch – niet meer wenselijk geacht. Alleen de grote machinerieën blijven over. De machtigen beslissen wat mag, en al de rest is pretentieuze, traditionele, moeilijke marginaliteit. Wie iets anders wil, mag opkrassen.

Assimileren of emigreren

Dat is niet wat ik onder beschaving versta. Het heeft alleszins verregaande politieke en maatschappelijke gevolgen. Het is zeker zo dat in Vlaanderen nog niet dezelfde geest heerst als in het Nederland waar Vandermeersch nu mee het mooie weer maakt. In enkele steden wordt echter ook hier alles wat niet ogenblikkelijk rendeert, en waarvoor belastinggeld geïnvesteerd wordt in langdurig, openbaar en gemeenschappelijk belang, al bedreigd. Misschien is dat de ware toedracht van het enthousiasme van Vandermeersch voor culturele bezuinigingen, en heeft hij vanuit Nederland zijn vaderland willen waarschuwen. 2014 is in België immers een verkiezingsjaar. Is het daarom stilaan tijd om voorbereidingen te nemen? Wie niet aansluit bij de culturele grondstroom, of wie er jong, intelligent en tegendraads bovenuit wil stijgen, die moet binnenkort op geen enkele steun meer rekenen, en mag assimileren of emigreren. Dat is pas een belangrijk verkiezingsthema!