Open voor publiek – W139

Open voor publiek – verslag door Yasmijn Jarram

Als reactie op recente discussies in de media naar aanleiding van de Prix de Rome-tentoonstelling in de Appel organiseerde Platform BK het debat ‘Open voor publiek’ in W139. Onder leiding van moderator Rune Peitersen gingen kunstjournalist Marina de Vries, schrijver Vincent van Velsen, kunstenaar Wendelien van Oldenborgh en journalist Ernst-Jan Pfauth in gesprek met elkaar en met het publiek.

Het debat gaat van start met de hamvraag: mag kunst hermetisch zijn? Marina de Vries stelt een tegenvraag: waarom zou je als kunstenaar een kunstwerk delen, als niemand er iets van begrijpt? “Als kunstenaar ben je geen reclameman die in dienst staat van communicatie, maar kunstenaars en tentoonstellingsmakers moeten er beide voor zorgen dat het publiek hen verstaat.” Kan hermetiek niet juist een statement zijn? De Vries: “Ik denk dat dit het statement was bij de Prix de Rome: we kiezen voor kunst die de onderzoekskant uitgaat en zich niets aantrekt van commercie. Toch vind ik dat een tentoonstellingsmaker een even grote verantwoordelijkheid heeft als een kunstenaar. Bij de Prix de Rome tentoonstelling had dat beter gekund.” Later voegt ze hieraan toe dat haar hooggespannen verwachtingen van het nieuwe, bredere profiel van de prijs – dit keer georganiseerd door het Mondriaan Fonds in plaats van de Rijksakademie – meespeelde in haar negatieve beoordeling.

Rune Peitersen vraagt Ernst-Jan Pfauth waarom De Correspondent, waarvoor Pfauth werkt, geen kunstcorrespondent heeft. Pfauth vertelt dat er gezocht is naar journalisten met een obsessie voor een bepaald onderwerp, die kunnen dienen als gespreksleider: “Iedereen is ergens expert in. Het is de taak van de journalist om die kennis omhoog te halen. We hebben nog niemand die dat voor de kunst doet, maar daarnaar zijn we wel op zoek.” Pfauth is van mening dat ook journalisten een verantwoordelijkheid in de kunstbemiddeling hebben: “Journalisten zijn nodig om de wereld om ons heen te duiden. Net als kunst kan journalistiek je een nieuwe blik op de werkelijkheid geven.” Hij vertelt over zijn initiatief Literaturfest, een literaire talkshow met als slogan ‘niet gehinderd door enige kennis van zaken.’ Hier vertellen bekende schrijvers over hun favoriete boek, zonder te vervallen in jargon of obscure referenties. Het nieuwe initiatief Artfest hanteert een vergelijkbare formule.

Kunstenaar en curator Jack Segbars vraagt zich daarop af wat er overblijft als apparaat voor het delen van kennis, buiten de subjectieve uitwisseling die Pfauth blijkbaar voorstaat. Expertise lijkt te worden beschouwd als een obstakel. Ook kunstenaar Barbara Visser betwijfelt of human interest de oplossing is voor jargon: “Het is verschrikkelijk moeilijk om dingen goed uit te leggen, zeker kunst. Het lijkt bijna een taboe om mensen iets te leren.” Pfauth antwoordt dat het bij De Correspondent juist geen taboe is, maar een roeping. Hij benadrukt niet te pleiten voor versimpeling, maar voor het bieden van een referentiekader aan mensen die nog niet de tijd hebben gehad zich te verdiepen in kunst. Marina de Vries verklaart zich in haar eigen vak eerder te beschouwen als een afgevaardigde van het publiek, dan van de kunst: “Het gaat erom dat gewone mensen begrijpen wat jij bedoelt. Dat is kunstkritiek voor een dagblad.” Rune Peitersen vraagt naar haar eigen positie ten opzichte van de kunstwereld. Is het een eiland dat veroverd moet worden? De Vries: “Een deel van de kunstwereld is zo, en dat ergert me. Maar ik houd er tegelijkertijd ook van, anders zou ik er niet over schrijven.”

Ernst-Jan Pfauth memoreert het Mike Kelley retrospectief in het Stedelijk. De bijbehorende zaalteksten vond hij onbegrijpelijk: “Als geïnteresseerde leek hoop je op een introductie. Ik persoonlijk ga dat alsnog zelf wel uitzoeken, maar er zijn genoeg mensen die meteen rechtsomkeert maken.” Vincent van Velsen vindt dat de discussie over jargon meer stemmingmakerij is dan dat er wezenlijk iets wordt gezegd. Kunstkenners en dagjesmensen zijn twee heel verschillende groepen. Als instelling of recensent zou je daar niet teveel rekening mee moeten houden; bezoekers kunnen zelf meer moeite doen. Van Velsen: “Mensen verwachten van een museum alles helemaal uitgelegd te krijgen, zonder daarbij hun eigen verwondering of verbeeldingskracht te gebruiken. Het is moeilijk om beide groepen te verenigen, en dat is ook oké. Er lijkt een omkering gaande te zijn: tonen wat toegankelijk en al bekend is, zonder dat het echt iets toevoegt aan de kunstwereld. Er wordt van buiten naar binnen geredeneerd, ik zou het liever andersom zien.” Pfauth en De Vries werpen tegen dat je best een moeilijke tentoonstelling mag maken, maar dan wel de plicht hebt het ook aan de dagjesmensen uit te leggen. Veel mensen zijn geïnteresseerd in kunst, en die moet je serieus nemen. Van Velsen betwijfelt op zijn beurt of die mensen het wel uitgelegd wíllen krijgen.

Dan is het woord aan de enige kunstenaar in het panel, Wendelien van Oldenborgh. Zij brengt een differentiatie aan: ‘het publiek’ bestaat niet. Als kunstenaar heb je verschillende conversaties met verschillende soorten publieken op allerlei niveaus, zoals collega’s, het verleden, curatoren en bezoekers. Ook kunstinstituten zijn niet over één kam te scheren, het Stedelijk is iets anders dan een kunstenaarsinitiatief. Van Oldenborgh stelt in haar praktijk geen rekening te houden met communicatie naar een publiek. Het is voor haar geen motivatie of uitgangspunt. Ook kunst zelf is natuurlijk niet eenduidig. Waar bepaalde makers graag een boodschap willen overbrengen, zijn anderen meer bezig met een traditie, zoals de conceptuele kunst. Ze maakt een vergelijking met muziek: sommige muziekvormen zijn moeilijker, het vergt verdieping dit te kunnen waarderen. Andere muziek is weer puur bedoeld om goed op te bewegen. Terwijl Pfauth opmerkt dat De Correspondent hieraan tegemoet komt door verschillende ‘instappunten’ toe te passen, wordt in het publiek beweerd dat het erg lastig is om één taal te vinden voor alle publiekssoorten.

Steven ten Thije, conservator van het Van Abbemuseum, geeft aan dat het erg ingewikkeld is om zaalteksten te schrijven, en dat het maken van tentoonstellingen die verschillende publiekslagen aanspreken een vak apart is. Er is altijd een spagaat tussen de drang zo goed mogelijke kunst te tonen, en daarmee tegelijkertijd zoveel mogelijk mensen in aanraking te laten komen. Volgens Ten Thije is dit niet iets wat we kunnen oplossen of wegpoetsen, maar waarin we elkaar scherp moeten houden. Het publiek is mondiger geworden en instellingen worden gedwongen dichterbij het publiek te staan. Kunst zou door recensenten echter niet mogen worden afgerekend op ontoegankelijkheid. Boijmans-conservator Noor Mertens verbaast zich over het belang dat deze avond wordt gehecht aan taal als hulpmiddel. Zij ziet een tentoonstelling als een eerste poging tot dialoog zonder tekst tussen tentoonstellingsmaker en publiek. Van de taal die daarbij geschreven wordt, hoop je dat deze aanknopingspunten biedt voor het verwonderen. Dit wordt echter ook opgeroepen door het werk zelf; taal is toch niet het enige glijmiddel hiervoor? Mariska van den Berg vindt dit een relevante vraag. Ook volgens haar zijn er verschillende legitieme manieren om toegankelijkheid te bevorderen.

Filmmaker Bart Juttmann komt terug op de verantwoordelijkheid van de maker door Shakespeare en Mozart aan te halen. Van hen zou algemeen bekend zijn dat ze hun teksten en composities aanpasten naar aanleiding van publieksreacties. In hoeverre is het een taak van de kunstenaar om de reactie van het publiek te meten en overwegen? En zegt dit iets over de integriteit van de kunstenaar? Van Oldenborgh zegt in haar omgeving geen kunstenaars te kennen die zo te werk gaan. De kunstenaar is geen eenling in het maakproces: je bent als maker nooit alleen, er zijn altijd interacties rond het werk: “Natuurlijk is er een drive. Ik ben me er volkomen van bewust dat mijn werk het publiek in gaat, het is een openbare gesture. Maar ik heb geen verhouding met ‘het publiek’ als een soort entititeit.” Daaraan voegt ze toe dat mensen uit de kunstwereld natuurlijk evengoed onderdeel zijn van dat publiek.

Curator Nina Folkersma vindt dat de verantwoordelijkheid voor communicatie meer zou moeten liggen bij de bemiddelaar; de kunstcriticus, curator of educator. Men zou creatiever kunnen zijn dan enkel via een zaaltekst of persbericht uitleg te geven: “Als ingevoerde kan je een tentoonstelling binnenstappen en het niet snappen, maar dan is dat niet zo erg, we laten ons daar niet door intimideren of vinden dat misschien zelfs spannend. Maar er is een groot publiek dat meteen afstand neemt. Dat zouden we moeten omdraaien: je hoeft niet bang te zijn voor kunst. Als je iets niet snapt, mag je het zelf verzinnen. Die vrijheid moeten we weer terugveroveren.” Huib Haye van der Werf, curator van Call of the Mall, vindt niet dat mensen moeten worden gerustgesteld dat het ‘maar’ kunst is. Daarmee wordt de kunst geen goede dienst bewezen. Kunst draait om betekenis en waarde. Dit dient te allen tijde voorop te staan. In krantenrecensies over Call of the Mall werd vooral enthousiast geconcludeerd ‘dat het kon.’ Is dit voldoende om een tentoonstelling geslaagd te noemen; dat mensen niet boos of bang werden?

In het publiek wordt even later een vergelijking gemaakt tussen kunst en religie. Als een atheïst na een kerkbezoek niet gelovig bent geworden, ligt dat dan aan de religie, aan de atheïst of aan de priester? Nest-directeur Eelco van der Lingen komt hierop later terug: “God speelt zich af in dat instituut, met die priester en dat publiek. Dat is in de kunst ook zo. Het is ongezond om alleen maar over het publiek te praten als een groep vreemden ‘uit de provincie’ waartegen we ons moeten wapenen, en die in de weg loopt als we naar het museum gaan.” Ook iemand anders in de zaal merkt op dat de complexiteit van de verschillende soorten publieken, instituten en kunstwerken juist positief benaderd zou kunnen worden. Miscommunicatie is de kern van waarom er kunst wordt gemaakt, dat zouden we niet erg moeten vinden. Het biedt mogelijkheden verschillende verantwoordelijkheden op te pakken.

Aan het einde van het debat brengt Rune Peitersen de rol van koningin Máxima in de Prix de Rome-recensies nog ter sprake. Marina de Vries en Lucette ter Borg schreven beide dat Máxima er waarschijnlijk ook niets van zou begrijpen. Volgens Peitersen is dit een zeer bepalend stijlmiddel in de beeldvorming rondom kennis en expertise. Máxima kan geen weerwoord bieden en wordt gelijkgeschakeld met het volk. De kunstwereld kan nauwelijks iets doen tegen dit soort beeldvorming. Als recensent van een dagblad heb je een enorme macht. Marina de Vries antwoordt dat ze kunst niet beschouwt als iets heiligs wat beschermd dient te worden, en waarover ze in tijden van bezuinigingen niets kwaads mag schrijven als ze daarvoor goede argumenten heeft. Vincent van Velsen is echter van mening dat De Vries juist niet met goede argumenten kwam: “In jouw stuk is niet te lezen dat het je ging om de nieuwe vorm van de Prix de Rome, de afrekening met het verleden. Je schetst een beeld van de tentoonstelling zonder jouw impliciete referenties kenbaar te maken.”

De kracht van goede kunstkritiek is het bemiddelen tussen ervaringen, kennis en verwachtingen, vindt Steven ten Thije. Hij denkt een ongelijk gevecht in de kunstwereld te constateren. Enerzijds is er een veelheid van activiteiten aan de productiekant, anderzijds zijn er slechts enkele professionele schrijvers die dit allemaal dienen te bespreken. Er wordt geld vrijgemaakt voor het maken en presenteren van kunst, maar niet om mensen op te leiden tot goede critici. Is er wel een goede balans tussen alle soorten professionals in de kunstsector? Marina de Vries geeft aan dat er ook onder kunstschrijvers verschillende typen zijn. Tot besluit merkt Nina Spoetnik nog op dat er deze avond weinig is gesproken over jonge makers. Juist door de huidige ontwikkelingen kan het interessant zijn met hen te spreken over de werking van (on)toegankelijkheid in deze tijd. Met deze suggestie komt het bijna twee uur durende debat ten einde.

 

Yasmijn Jarram (1984) is schrijver en curator. Ook is ze redacteur bij onafhankelijk kunsttijdschrift Tubelight en lid van Platform BK.

ontoegankelijkheid_liggend_nieuwsbrief

Naar aanleiding van de recente discussie in de media over de (on)toegankelijkheid van kunst, organiseert Platform Beeldende Kunst een openbaar gesprek ‘Open voor publiek – over de (on)toegankelijkheid van kunst‘ op donderdag 20 maart van 20.00-22.00 in W139 te Amsterdam. Inloop om 19.30.

Het uitgangspunt voor de discussie is een aantal artikelen en opiniestukken die geschreven zijn over de (on)toegankelijkheid van kunst. Het panel bestaat uit: Marina de Vries (Hermetischer dan ooit), Ernst-Jan Pfauth (Cultuurbarbaren, Arme Jip en Janneke: kunst valt niet te versimpelen), Vincent van Velsen (Een ster is geen recensie) en kunstenaar Wendelien van Oldenborgh. Het gesprek zal geleid worden door Rune Peitersen, Platform BK.

Je kan je hier aanmelden via Facebook. Aanmelden is niet verplicht. Entrée is vijf euro, maar gratis voor leden van Platform BK. Lid worden kan hier (en levert je nu bovendien een gratis BK-info krant op voor de rest van 2014!).

Platform BK vindt het belangrijk dat deze discussie niet alleen in de media wordt gevoerd maar juist ook door de kunstsector zelf. Wij hopen dan ook op een sterke inbreng van het publiek, en willen graag een levendig gesprek waarin vele uiteenlopende standpunten aan de orde kunnen komen. Volgens Platform BK werden er twee onderwerpen in de discussie herhaaldelijk door elkaar gehaald; de vraag of kunst zich communiceerbaar dient op te stellen en het debat rondom de kwaliteit van de kunstwerken die genomineerd waren voor de Prix de Rome. Beide onderwerpen zijn verbonden aan een aantal uiterst relevante onderwerpen in de kunstpraktijk van vandaag de dag.

De vraag of kunst zich communiceerbaar dient op te stellen speelt met de kwestie of de kunst ondergeschikt is aan ‘het publiek’ (‘kunst mag niet moeilijk zijn’). In de discussie werden de meetlatten waarlangs kunst gelegd werd (of Koningin Maxima of Jip en Janneke het nou wel of niet begrijpen) vanuit de kunstwereld als een kniebuiging opgevat, en afgedaan als opportunistisch en populistisch. De rol van de recensent werd daarbij stevig onder vuur genomen. Tegelijkertijd vinden velen, ook uit de kunstwereld, dat het vaak ondoordringbare en onnodig opgeklopte taalgebruik er te gemakkelijk vanaf komt. Is jargon nodig om kunst uit te leggen of wordt het ingezet om een muur rondom de kunstwereld te bouwen?

In het verlengde van de discussie over de kwaliteit van het genomineerde werk voor de Prix de Rome, ligt het gevoel dat kunst zich soms te makkelijk verschuilt achter het excuus van ‘jullie snappen het gewoon niet’. Het is de vraag of de kunstwereld zich teveel heeft afgezonderd van de ‘rest’ van de wereld en een bubbel gecreëerd heeft. Of is die afzondering juist een voorwaarde voor het maken van kunst dat reflecteert op de samenleving waardoor zij de mogelijkheid krijgt de samenleving van ‘buitenaf’ te observeren? Zoals een schilder dat doet als hij een stapje terug doet van zijn ezel om het schilderij van een afstand te bekijken.

Tijdens het gesprek willen we een duidelijke scheiding aanbrengen in de twee onderwerpen om zo een helder gesprek te kunnen voeren.