WW#13 Open voor kritiek?

De toegankelijkheid van de beeldende kunst is ter discussie komen te staan nu de kunstwereld in toenemende mate gedwongen wordt om meer eigen inkomsten te vergaren en vooral de maatschappelijke relevantie van kunst te bewijzen. Zo schreef Ernst Jan Pfauth van De Correspondent recentelijk dat hij de zaalteksten bij de Malevich-tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam onbegrijpelijk vond. Hij bespeurde daarin zelfs iets van een samenzwering van de kunstwereld, die beoogt het ‘gewone publiek’ buiten te sluiten. In reactie hierop sprak Domeniek Ruyters, hoofdredacteur van het kunstmagazine Metropolis M, hem aan op zijn algemene ontwikkeling en zijn capaciteit tot zelfstandig denken, los van zaalteksten. Ikzelf nam de Prix de Rome recensies in NRC en De Volkskrant, als aanleiding om de rol van de recensent – als beschrijver, bemiddelaar én beoordelaar – ter discussie te stellen. Koen Kleijn hield vervolgens in De Groene Amsterdammer een pleidooi voor begrijpelijke, heldere en toegankelijke kunst. Dat hij dat onderbouwde door middel van een fictieve polarisatie op basis van aannames gebaseerd op een zeer vrije interpretatie en daardoor foutieve positionering van (onder anderen mijn) citaten die hij geheel uit hun context haalde, laat ik hier buiten beschouwing. Echter, de door hem geponeerde ideeën over kunst en de kunstwereld, bieden aanleiding om wat dieper op de materie in te gaan.

“Gaat u maar terug, u begrijpt het toch ook niet.” 

In meerdere besprekingen van de Prix de Rome tentoonstelling in De Appel Arts Centre werd gesproken over een ‘hermetische tentoonstelling’, waar noch de recensent zelf, noch Koningin Maxima of een willekeurige bezoeker ook maar iets van zou begrijpen. Maar wat beoordeel je, meer dan je eigen onkunde, als je enkel aangeeft dat je het niet begrijpt? In feite zeiden de recensenten tegen de bezoeker ‘Gaat u maar terug, u begrijpt het toch ook niet.’ De recensies belichamen hiermee precies hetgeen wat zij zo sterk veroordelen.

Koen Kleijn stelt dat het niet de taak is van een recensent om te ‘glosseren’. Glosseren staat voor het onderzoeken en daarbij van kanttekeningen voorzien. Opmerkelijk is dat dit toch grote overeenkomsten vertoont met de kerntaken van de recensent; zijnde het meenemen van de lezer langs het werk en in de overdenkingen die daarmee gepaard gaan om uiteindelijk tot een oordeel te komen. De recensent beschrijft, creëert een kader en deelt een beargumenteerd oordeel met een potentieel publiek, en biedt daarmee inzicht in zowel het werk als de beoordeling. Maar ook Ernst Jan Pfauth ziet dat anders, niet de stukjes van professionele recensenten krijgen ‘niet-ingewijden’ naar het museum, maar juist een laagdrempelige informatieve benadering als die van schrijvers als Joost Zwagerman, vindt hij een lichtend voorbeeld.

En hij is niet de enige. Laagdrempeligheid in de Nederlandse kunstwereld neemt steeds vaker de vorm van een Bekende Nederlander aan. Volkskrant Magazine geeft Nico Dijkshoorn elke week volop ruimte om te schrijven over een kunstwerk. Een taak die hij interessant genoeg overnam van de experts Ann Demeester (De Appel | Frans Hals Museum), Bart Rutte (Stedelijk Museum Amsterdam), Benno Tempel (Gemeentemuseum Den Haag) en Wim Pijbes (Rijksmuseum). Ook het Kröller Möller koos voor Dijkshoorn, in dit geval voor het inspreken van een audiotour. De televisiepresentatoren en acteurs Maxim Hartman, Tygo Gernandt en Victoria Koblenko viel hetzelfde voorrecht ten deel toen zij door het Stedelijk Museum Amsterdam werden gevraagd om als volleerde glossatoren, via een app commentaar te geven op de Malevich tentoonstelling en zo te bewerkstelligen wat Koen Kleijn ‘hoffelijkheid’ noemt: ‘Dat is niet de versimpeling om de versimpeling’ stelt hij, ‘(…) niet de capitulatie voor ‘esthetisch, eenduidig en eenvoudig vermaak’, dat is helder zijn.’

Volgens Kleijn is een groot publiek aanspreken een eis die aan kunst gesteld móét worden die in een ‘instelling wordt getoond, gefinancierd met publiek geld’. Echter, onder het mom van ‘goed gastheerschap’ schuilt de aanname dat kunst gemaakt en gepresenteerd wordt voor de ‘publieke uitwerking’, waarbij de ‘gewone bezoeker met vriendelijke belangstelling’ leidend is. Interessant is dat Kleijn eveneens impliceert dat het voldoende is als het publiek slechts komt opdagen, maar de moeite die iedere bezoekers zich onvermijdelijk moet getroosten om de kunst te doorgronden maakt echter geen deel uit van het comfort van Kleijns kunstwereld. De hoffelijkheid is geheel eenzijdig.

“Dat is niet de versimpeling om de versimpeling’ stelt hij, ‘(…) niet de capitulatie voor ‘esthetisch, eenduidig en eenvoudig vermaak’, dat is helder zijn.’” 

Aan mij is de dweepzucht van Zwagerman niet besteed, evenmin de bergen triviaal referentiemateriaal die hij altijd weer weet aan te dragen. Maar het zou flauw zijn om niet te erkennen dat hij voor bepaalde bezoekers een introducerend en wervend kader zal weten te scheppen. En ook dat hij wonderbaarlijk genoeg een goed voorbeeld geeft. Want hij neemt het niet over van Ann Demeester, Bart Rutte, Benno Tempel of hun (internationale) equivalenten, maar is juist een bedreven lezer van hun beschouwingen. De kennis, overdenkingen en analyses van professionals vormen de basis van zijn verhalen. Hij vormt het, voor het grote publiek zichtbare, topje van de ijsberg die drijft op de onzichtbare massa van daadwerkelijke connaisseurs en professionals. Daar is hij fanatieke toeschouwer, maar in de doordraaiende wereld van de leek is Zwagerman koning. Toch steken zijn inspanningen om de kunst te doorgronden met kop en schouders uit boven die van de aangehaalde professionele recensenten.
Met betrekking tot deze recensies geeft Koen Kleijn aan dat het bij een hermetische presentatie begrijpelijk is dat een goede argumentatie achterwege blijft. Als het ‘geen feitelijke kunstwerken met sociale, humane en communicatieve aspecten’ betreft, is dit volgens hem niet nodig. Vreemd, want je mag van een recensent verwachten dat die de lezer op z’n minst de informatie geeft op basis waarvan het oordeel werd geveld. En meer dan dat. Zo staat het inhoudelijk onderzoek – waarop de finalisten van de Prix de Rome en (een deel van de door Kleijn aangehaalde) Rijksakademie-kunstenaars zich toeleggen – voor een werkwijze die momenteel veelvuldig voorkomt.

Kleijn gaat in zijn betoog echter geheel voorbij aan de ontwikkelingen sinds begin XXste-eeuw. De kunstenaar als ambachtsman met slechts beitel of kwast bestaat zeker nog, maar is niet meer de artistieke alleenheerser die hij ooit was. Veel hedendaagse, veelal conceptuele, kunst, vindt z’n oorsprong in de kennissamenleving. Denkwerk en betekenis gaan schuil onder de oppervlakte: het fysieke voorkomen vormt slechts de opmaat naar meer. Alleen al daar lag een relevantie van deze editie van de Prix de Rome en hedendaagse kunst in het algemeen: de indicatie van werkwijzen en waarderingssystemen binnen onze maatschappij.
De huidige focus op verkoopprijzen, bezoekersaantallen en eenduidige vermeende maatschappelijke relevantie, verhoudt zich moeizaam tot hedendaagse kunstwerken met een weerbarstige inhoud en betekenis. Zowel het behoudende aspect als de managementcultuur is een enkeltje entertainmentfabriek, waar het maken van een selfie naast Wanders of de Nachtwacht het hoogtepunt van de museum ervaring is; maar waar de kerntaken van het museum op de achtergrond geraken.

De inhoud wordt gecompromitteerd met het idee van hoeveelheid, waardoor er sprake is van nivellering van zowel inhoud als betekenis van kunst – meer dan de decoratieve. De fixatie op de cijfers zorgt tevens voor een tendens waarin allerhande bijzaken de aandacht voor de kerntaken compromitteren: het tonen van kunst met een specifieke waarde – in de niet-monetaire betekenis. Door de obsessie met budgetten, bezoekersaantallen en bezuinigingen komt de inhoud nauwelijks nog aan bod. Lezingen, verbouwingen en vertrekkende directeuren krijgen meer aandacht dan de getoonde kunst. De vloeroppervlaktes groeien, de presentatiebudgetten slinken.

Het is dan ook geen goed nieuws dat ook de publieke bespiegeling op kunst, zich wil voegen naar dezelfde laagdrempeligheid en bezoekcijfers. In de discussie over de taak van de recensent komt een tweespalt aan het licht. Een kant pleit voor een kunst gebaseerd op zogenaamde helderheid en ‘hoffelijkheid’ die het publiek vermaakt. Een andere kant staat voor de inhoud als basis voor zowel artistieke als geschreven uitingen.

In dat licht zijn er in het bemiddelen tussen de kunst en het publiek meerdere bewegingen mogelijk. Zonder kritiek werven – zoals Zwagerman dat doet – is er slechts één van. Het verschaffen van informatie bij de werken ter plekke – zoals een museum dat met zaalteksten doet, is een andere. Maar allebei verschillen zij in essentie van de derde: het analyseren, contextualiseren, duiden en beoordelen van het werk op basis van een degelijke doch begrijpelijke argumentatie. Zij sluiten elkaar niet uit, integendeel. Maar het zijn duidelijk andere speelvelden, die niet met elkaar verward moeten worden, en waarbinnen een hele heldere rol voor de professionele kunstkritiek is weggelegd.

De recensie is een introductie en een persoonlijke lezing waarbij kennis van zaken ter ondersteuning dient. De lezer wordt niet bij de hand genomen en geacht blindelings te volgen, maar over de (spreekwoordelijke) drempel van de tentoonstelling geholpen. Eenzelfde rol vervullen de museumteksten. Deze bieden een context – het kader, de achtergrond – maar niet de ultieme beschouwing of de enige, gesloten betekenis van een werk. Het zijn aanknopingspunten voor de eigen lezing van een bezoeker. Hiermee bieden de recensies sleutels voor het ontsluiten van de kunst in de eigen context, de persoonlijke verbeeldingswereld.

Dit essay is een Weerwoord van Platform Beeldende Kunst. ’Weerwoord’ is een initiatief van Platform BK en geeft richting aan het debat rondom kunst en cultuur door snel in te springen op het huidige kunstbeleid en berichtgeving over kunst in de media.

 

Illustratie: Yuri Veerman