Creative Europe is creatieve destructie

This post is also available in: English

De EU cultuurpolitiek is het probleem, niet de oplossing

De beleidsdocumenten van Creative Europe, het cultuurbeleid van de Europese commissie 2014-2020, lezen als een goed-nieuws-show. De EU verklaart dat ze de kunstensectoren wil helpen in deze moeilijke crisistijd, waarin het aangehouden besparingsbeleid in de lidstaten als maar dreigt toe te nemen. Dat de EU zelf verantwoordelijk is voor die dreiging, omdat het een beleid voert waarin saneringen en sociale afbraak het antwoord zijn, ongeacht de vraag, blijft om evidente redenen onvermeld. Tevens wil de EU de kunst naar eigen zeggen niet zomaar overlaten aan de willekeur van de vrije markt. Integendeel: Creative Europe zou aldus de gehanteerde newspeak een ‘duurzaam’ en ‘sociaal’ marktcorrigerend beleid zijn.

Het probleem is echter, dat dit programma vanaf de eerste lijnen kunst en cultuur als een markteconomie benadert: het gaat volgens de EU simpelweg om creatieve sectoren die samen 8 miljoen jobs creëren en 4,5% van het EU GDP uitmaken. Dit steunbeleid is met andere woorden een zuiver marktgericht economisch beleid met als voornaamste doel de vrijhandel te vergroten in het voordeel van Europa. Dat impliceert dat kunst en cultuur maximaal marktconform moeten worden: méér markten ontwikkelen, innovatie voor de creatieve economie genereren, transnationale zakelijke samenwerking uitbouwen, internationalisering verhogen. Kritische kunst of artistieke vrijheid zijn hier geen prioriteiten. Integendeel, kunstenaars en kunstinstituten worden door de EU als grondstoffen opgevat.

Het ruimere plaatje: Creative Europe staat volledig in het teken van het hoofddoel van het Europabeleid, met name de internationale concurrentie. Zowel de VS als Europa verloren de laatste jaren snel en veel terrein ten aanzien van de opkomende BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid- Afrika). Bovendien werd de crisis die in 2007 in de VS begon flink afgewenteld op Europa. José M. Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie, gaf publiekelijk toe (zie hier) dat de EU een stille revolutie doorvoerde op de natiestaten en nu alles in het werk zet voor de concurrentiekracht. Lees: om de winst te vrijwaren, worden lonen, werkomstandigheden, sociale zekerheid en openbare diensten afgebouwd om grote bedrijven meer ‘zuurstof’ te geven voor het uitbetalen van hoge dividenden.

Je moet eerst een grote koek bakken voor je kan herverdelen, zo gaat de volksparabel van de liberale fanfare. Maar dat zogeheten ‘trickle-down effect’ is duidelijk een valse belofte, als blijkt dat ondertussen alles in het werk wordt gezet om de verzorgingstaat en de door sociale strijd opgebouwde bescherming van onze arbeidscondities te ontmantelen. Door de competitiezucht stuurt de EU ook intern aan op twee snelheden, er zijn de noordelijke landen met een surplus en de zuidelijke landen met schulden, die zich steeds meer verhouden als ruiter en paard, in een race naar de bodem. Wie opkomt voor een sociaal of cultureel Europa is er aan voor de moeite: de strijd met landen als Bangladesh valt evenwel niet te winnen zonder Europa terug te katapulteren naar de middeleeuwen.

In deze optiek heeft de EU nu ook de kunsten ontdekt. Niet-artistieke doelstellingen staan daarbij helaas centraal. Niet alleen moet het kunsteninstituut commerciëler worden. Ze moet in al haar dimensies ook ten dienste staan van de markt. Wie het EU-cultuurbeleid punt per punt overloopt, vindt dan ook vrijwel nergens een inhoudelijke visie op de (artistieke of cultuursociologische) rol van kunst en cultuur in de samenleving van 21ste eeuw terug. Wel een uitgesproken, zelfs revolutionaire markteconomische visie. Met een eigen heilige drievuldigheid: (1) de omslag van kunst en cultuur naar de zogeheten ‘creatieve industrie’, (2) de heroriëntering en afbouw van de publieke kunst- en culuursectoren middels een doorverwijzing naar de markt, (3) de promotie van het rolmodel van de kunstenaar-ondernemer.

 

De mythe van de ‘creatieve industrie’ en het ‘spill-over effect’

Eerste vaststelling. Uit zowat elk beleidsdocument van Creative Europe blijkt dat maximaal wordt ingezet op de uitverkoop kunstensector aan de creatieve economie. De publieke cultuursector dient hierbij als pasmunt. De sector wordt ‘seed-money’ – een term uit de EU-documenten – voor de markt. Behalve dat cultuurhuizen ‘investeerders’ moeten lokken, waarna overheden zich eventueel kunnen terug trekken, moeten zij naast deze aflossing van de wacht ook een interessant investeringsklimaat ontwikkelen voor nieuwe markten. Deze beleidsmatige omslag wordt bewerkstelligd door een opmerkelijke herverpakkingsoperatie. De EU heeft de budgetten van Media en Cultuur samengevoegd en een gezamenlijk tot de verbeelding sprekend budget van 1,46 miljard euro waarvan evenwel minimum 31 procent en maximum 34 procent naar ‘cultuur’ kan gaan. Dat zou voor zowel Media als Cultuur gemiddeld een budgetverhoging zijn van 9 procent vergeleken met de vorige ronde (2007-2013).

Er wordt echter niet bij verteld dat het nu over meer landen gaat (ook bevriende niet-EU landen of steden komen in aanmerking) en ook over veel meer sectoren. Dat laatste is cruciaal: de EU heeft het vanaf nu immers niet langer over ‘cultuur’ maar over ‘cultural and creative industries’ en die verzameling is dermate rekbaar dat het moeilijk wordt een bedrijfstak te vinden die hier niet direct of indirect voor in aanmerking komt. Ook de wapenindustrie is overigens ontegensprekelijk een erg creatieve sector. De kunsten geraken door deze conceptuele acrobatie dus ondergedompeld in de wildwaterbaan van de winstgerichte innovatie.

Het probleem bestaat er uit dat de EU de creatieve economie wil stimuleren ten koste van de cultuursector. Want kunst is vanzelfsprekend iets anders dan creatieve economie. Er is uiteraard ook niets mis met design of andere toegepaste kunsten. Zeker niet als die binnen een publieke sector ontwikkelingsruimte krijgen, voor en door de gemeenschap. Maar het is veelzeggend dat er in deze tijden van sociale en ecologische transitie voor dergelijke belangrijke innovatieve sectoren geen afzonderlijk, aangepast cultuurbeleid uitgewerkt wordt, los van commerce en ‘copyright industry’. De ‘duurzaamheid’ waarover de EU spreekt, gaat dus helaas over duurzame, renderende marktrelaties.

Het misleidende karakter van deze cultuurpolitiek openbaart zich naast de gehanteerde nieuwe concepten ook in de gebruikte metaforen. Zo verwijzen de EU-beleidsmakers graag naar wat zij het spill-overeffect noemen 1. Hun pleidooi begint dan met het zwaaien van wierook naar de kunstenwereld, die bruisende hoorn des overvloeds van wat in de bedrijfswereld ‘onderzoek en ontwikkeling’ (O&O) heet. Iets waar bedrijven door de dividendendruk van de financiële markten trouwens steeds minder in kunnen investeren en daarom willen outsourcen naar publieke sectoren zoals onderwijs en cultuur. De EU wil hierin een voorbeeldrol opnemen en spoort de lidstaten met dwang aan mee in de pas te lopen. Na de wierook volgt dan al snel de vraag waarom zoveel potentiële toepassingen zomaar over die hoorn overlopen, zogezegd volstrekt onbenut blijven en dus ongemerkt verloren gaan. Een beleid dat erop aanstuurt een beetje van deze overdaad over de schotten van de sectoren heen te morsen, wie kan daar nu tegen zijn?

Helaas, deze charmante voorstelling van zaken doet de realiteit veel geweld aan. Want Creative Europe mikt eerder op het neerhalen van de schotten tussen de publieke en private sectoren, met een ‘schottenloze, eengemaakte en gemeenschappelijke’ markt als doel. Het gaat dus niet zozeer om het recycleren van een spill-over, maar om een regelrechte afdamming aan de bron.

Of, om binnen hun metafoor te blijven: dit beleid zet inderdaad in op een overloopeffect. Maar dan wel in de andere richting: een instroom aan commerciële praktijken en zakenmodellen waardoor het veld waarin de artistieke en maatschappelijke verbeelding moet kunnen postvatten, verzopen geraakt. Wat komt bovendrijven, moet vervolgens alsnog worden ingezet voor niet-artistieke doeleinden. Zo wordt er op alle fronten tegelijk aan de vermarkting van de cultuursector gewerkt. Het leidt onvermijdelijk tot het verdunnen en zelfs verdampen van intrinsieke waarden van kunst en cultuur, inclusief de drooglegging van unieke en zorgvuldig opgebouwde cultuurtradities. Ook al is dit binnen onze huidige consumptie- en wegwerplogica misschien moeilijk te bevatten, maar wat aan culturele rijkdom verdwijnt, komt simpelweg nooit meer terug.

 

De hold-up op wat ‘cultureel ondernemerschap’ zou kunnen zijn

Tweede vaststelling. De EU dringt onder het mom van een steunbeleid een cultuurpolitiek op die samen te vatten is in twee werkwoorden: privatiseren en vermarkten. De beloofde subsidies dienen hierbij als wortel om elke kritische reflex te neutraliseren. Uit het voorgaande bleek al dat de EU een eigen terminologie hanteert met het oog op een paradigmawissel in het denken over cultuurbeleid. Inzake kunstinstituten en cultuursubsidies wordt er zo een cultuurpolitiek ingevoerd die inzet op een discours van ‘zelfbestuur’ en ‘return on investment’. Daarmee wordt een heel smalle opvatting van cultureel ondernemerschap gepromoot dewelke inzet op twee zaken: publieke sectoren worden systematisch doorverwezen naar de markt alsook ingezet als motor voor marktontwikkeling. De bijbehorende beleidsvisie dient zich overigens als een matroesjka aan: na de subsidies nieuwe stijl, die ondernemerschap en privaat-publieke samenwerking rechtstreeks promoten, worden de oude ‘passieve’ subsidies ‘geoormerkt’, zoals dat in het liberalees heet. Dat wil zeggen: je krijgt ze nog wel, op voorwaarde dat je kan aantonen dat jou organisatie bijvoorbeeld een quota aan privatisering via crowdfunding realiseert. Of dat deze investeringen een bonus generen in termen van bijvoorbeeld citymarketing, spin-offs in de amusementsindustrie, of als toonbeeld van een creatief investeringsklimaat en dus als visitekaartje voor bedrijven. ‘Zelfbestuur’ wordt zo stapsgewijs de nieuwe norm (lees: ‘creatief’ en ‘slim’ management via allerhande commerciële deals).

Door het samenvoegen van het cultuurbeleid van Media en Cultuur moet de kunstensector zich bijvoorbeeld ook onvermijdelijk aanpassen aan managementmodellen die in de winstgerichte mediabusiness standaard zijn. Dit groot nadeel inzake beleidscultuur laat zich natuurlijk moeilijk in cijfers uitdrukken, maar in vrijwel elk kunstinstituut is de toenemende aandacht voor marketing en public relations nu al bijzonder merkbaar. In verhouding gaan daar helaas ook steeds meer middelen naartoe, bijgevolg gaan instituten zich als elkaar concurrerende bedrijven gedragen, steeds meer voor eigen rekening rijden, waardoor ze hun basistaak – artistieke presentatie of ondersteuning – uit het oog dreigen te verliezen.

Een beleid dat zou inzetten op artistieke samenwerking en internationale netwerking ten dienste van de kunstenaar, valt natuurlijk aan te moedigen. Maar deze mooie belofte gebruikt de EU als een pretext voor de uitbouw voor een institutioneel netwerk gericht op het ontwikkelen van nieuwe markten. Creative Europe zou naar eigen zeggen in fondsen voorzien “voor minstens 250.000 kunstenaars en culturele professionelen, 2.000 cinema’s, 800 films en 4.500 boekvertalingen”. Hoe men aan die cijfers komt nu de eerste aanvraag nog moet worden ingediend, is een raadsel. Vooral als we merken dat de subsidievoorwaarden van die aard zijn dat individuele kunstenaars vrijwel niet in aanmerking komen. Het gaat weliswaar over kunstenaars en zoiets als ‘culturele professionelen’, wat vanzelfsprekend een heel elastische en ‘schottenloze’ categorie is, die alvast zowat iedereen omvat die direct of indirect iets met ‘cultuur’ heeft.

Uit de aanvraagprocedures Cultuur blijkt immers dat de EU enkel geïnteresseerd is in grote projecten die de transnationale of internationale competentie van de ‘culturele of creatieve sectoren’ versterken (zoals de oprichting van economische netwerken of platforms). Individuele kunstenaars komen dus alleen aan bod voor zover zij een rol kunnen spelen in de subsidieaanvraag van bedrijven of grote instellingen. Meestal blijft het meeste geld ook daar plakken. Kunstenaars die niet-marktvriendelijk zijn (die zich niet willen laten commercialiseren of die te kritisch zijn) staan buitenspel. Net zij hebben nochtans steun nodig. Het gaat bijgevolg niet om een cultuurpolitiek die inzet op artistieke ontwikkeling, tenzij als toevallig neveneffect of als de bewuste uitzondering op de regel die als bliksemafleider moet dienen, maar op een marktconform beleid gericht op vrijhandel eerder dan artistieke vrijheid, op schaal en omzet waarbij de kunstenaar systematisch in de armen wordt gejaagd van de (grote) kunstinstituten, terwijl de kunstinstituten verder commercieel verknoopt geraken met de creatieve economie.

Wat niet ter sprake komt, maar wel veelzeggend is: Creative Europe krijgt uiteindelijk maar 0,05 procent van het totale EU-budget. Ook het relatief verwaarloosbare gedeelte van het budget dat is vrijgemaakt voor cultuurbeleid, wordt zo geofferd aan het zogenaamde Horizon 2020 programma, dat volledig is gericht op economische innovatie en groei. Nochtans wordt het cultuurbeleid voorgesteld als een ‘sociaal’ beleid, want gericht op het generen van ‘jobs’. In vergelijking met de budgetten van de lidstaten blijft het natuurlijk om veel geld gaan. Als we echter zouden overwegen om van dit budget rechtstreeks een degelijk inkomen voor kunstenaars te voorzien, zodat die zich voluit aan kunst en gemeenschap kunnen wijden, dan levert dat prompt duizenden jobs op voor de volgende 7 jaar.

Opnieuw stellen we dus een bewuste begripsverwarring vast: wat een martkgericht beleid is, wordt een sociaal beleid genoemd. Een echt sociaal beleid zou op zijn minst voor een herverdeling mogen pleiten op Europese schaal, via een bescheiden belasting op hoge vermogens en financiële speculatie. Waarom zou er van de vele miljarden euro’s die jaarlijks uit de markt worden gehaald om in dividenden uit te keren, niet een fractie herbesteed kunnen worden aan bijvoorbeeld kunst en cultuur? Uit angst voor kapitaalvlucht? Gaan miljardairs dan de ganse EU ontvluchten vanwege een flinterdunne taks op hun torenhoge winsten?

Kortom, door dit marktgericht cultureel ondernemerschap wordt er nu ook (en vooral) van de publieke sectoren commercieel innovatiemessianisme verwacht. Hoewel de EU ‘creativiteit’ en ‘innovatie’ hoog in het vaandel draagt, in het belang van de concurrentiepositie in de internationale economische oorlog, knijpt ze met haar cultuurbeleid wel systematisch de verbeelding af. Gevolg: veel kunst en cultuur die er nooit zal zijn. Daar zijn wij allemaal het slachtoffer van.

 

De kunstenaar-ondernemer als de nieuwe messias?

Derde vaststelling. De kunstenaar moet een ondernemer worden met een marktconforme innovatieve ingesteldheid. De bedrijfsleider die zich al eens laat inspireren door een kunstenaar die normaal leeft in een andere parallelle wereld, krijgt er vanaf nu een creatieve collega bij. Zo worden de eventuele uitwisselingen tussen kunst en economie onderonsjes tussen gelijkgezinden die tips uitwisselen inzake marketing, PR-stunts en HRM. Het beoogde, doorgaans boeiende experiment tussen kunst en economie vervalt daarmee in een rendez-vous tussen kunstenaar-ondernemer en ondernemer- kunstenaar. Door het discours van deze cultuurpolitiek zullen ambtenaren uit de publieke cultuursector er gek genoeg steeds meer vanuit gaan dat een kunstenaar wel een zelfstandige moet zijn.

Het rolmodel van de kunstenaar-ondernemer, die Creative Europe triomfantelijk als een redder van de vermaledijde economie naar voorschuift, wordt topdown doorgeduwd naar de lidstaten. Want de EU overweegt voor haar steunbeleid enkel kandidaturen van instellingen uit landen wiens nationale overheid als wetgever het EU-cultuurbeleid definitief aanneemt. De stok achter de deur: kritische politici die de autonomie van het eigen cultuurbeleid willen vrijwaren, ‘straffen’ zo indirect een aantal van hun landgenoten, die daarom geen kunstenaar zijn maar wel handelen onder de noemer van ‘culturele professioneel’.

Cultuurpolitici die erkennen dat het kritisch vermogen van kunst van vitaal belang is voor sociale, culturele en artistieke innovatie, en dat een democratie er daarom alle belang bij heeft haar eigen waakhonden te ondersteunen, worden zo schaakmat gezet. Het commerciële versus het kritische gehalte van kunst gedragen zich in regel immers als communicerende vaten. Wie dat eventueel zou betwisten, komt door de EU voor de volgende vaststelling inzake de beknotting van kritische kunst te staan: de EU ondersteunt alleen projecten die nadrukkelijk de doelstellingen van Europe 2020 ondersteunen. U denkt er de saneringspolitiek van Merkel maar zelf even bij.

Concreet: een tentoonstelling met kritische kanttekeningen bij de corporate takeover van Europa mag in principe niet meer. Een theaterstuk over hoe de democratie van de ‘PIGS’ (Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje) door de EU tot Unesco erfgoed werd herleid evenmin. Een film die verbeeldt dat de EU Griekenland helemaal niet wil redden maar de ontmanteling van de Griekse verzorgingstaat als een rolmodel naar de rest van Europa te exporten in het belang van de internationale competitie? Censuur, ten minste, door een verlies aan fondsen. Op risico van contractbreuk, wordt de zelfdisciplinering van de cultuursector op deze manier nog wat meer opgeschroefd. Exit maatschappelijk geëngageerde kunst.

Kunstenaars die voor subsidies in aanmerking willen komen, zullen in hun creatieproces helaas steeds meer rekening moeten houden met de trends en het conformisme van de markt, in de hoop een breed publiek te kunnen aanspreken en zo eventueel kans te maken op ondersteuning. Doorgaans tevergeefs: in Nederland zagen we bijvoorbeeld al dat beloofde subsidies voor wat ‘creatieve industrie’ heet, niet bij kunstenaars, vormgevers of grafisch ontwerpers terecht komt maar bij multinationals als Philips. Beleidsmakers repliceren dan soms met de dooddoener: “wat is er dan mis met commerciële kunst?” Het punt is uiteraard dat daar cultuursubsidies naartoe moeten gaan terwijl niet-marktgerichte kunst sowieso al in de verdrukking zit.

Als het van Creative Europe afhangt, moeten kunstenaars onze economische regio vooral een creatief imago geven. Zo wordt de ‘creatieveling’ een ideologische lokeend voor investeerders. Kunstenaars worden daardoor steeds afhankelijker van commerciële samenwerking waardoor ze – onvermijdelijk – door een breed publiek als ‘commerçant’ worden versleten.

Ook voor de kunstmarkt is dit overigens een probleem: de verzamelaars en galeries die wel willen vasthouden aan het artistieke werk, worden vandaag al flink onder de voet gelopen door tal van georganiseerde kunstmarketeers en affairistische speculanten. Ook de niet-commerciële kunstmarkt heeft daarom nood aan een sterke artistieke publieke sector, gevrijwaard van allerhande vermarkting. Onze maatschappij in het algemeen heeft vandaag misschien wel meer dan ooit nood aan een marktvrije cultuursector die ook de ambitie heeft als systeemkritische en ideologische avant-garde. Als macht van de verbeelding, die toont dat er in deze complexe tijden wel degelijk alternatieven denkbaar zijn. De omslag in het denken over cultuurbeleid, moet een voorhoede zijn voor het denken over onze toekomstige samenleving, op maat van de mensen, niet de winst. Daarom is het rolmodel van de kunstenaar-ondernemer een valse profeet, zelfs een frankensteinmonster dat zich tegen ons, zijn schepper, keert. Want door niet te reageren op shocktherapie van de EU, dragen ook wij verantwoordelijkheid.

Toch ziet het er naar uit dat heel wat van onze cultuurambtenaren of kunsteninstellingen dit EU- beleid enthousiast zullen omarmen en zo eigenhandig het voortbestaan van onze publieke cultuursector op de helling zetten, ondermeer omdat het via de overheid en haar sectorondersteunende instituten allemaal zo sympathiek wordt voorgesteld. Want er vallen toch wel wat subsidies te vangen, nietwaar? De prijs die het toekomstige cultuurbeleid hiervoor moet betalen is dermate hoog dat weldegelijk het failliet dreigt voor een doorheen de vorige decennia zorgvuldig en moeizaam opgebouwd cultuurondersteunend beleid.

 

Besluit: schoolvoorbeeld van neoliberaal beleid

Volgens heel wat beleidsmakers zou het populistisch zijn dit steunbeleid ‘neoliberaal’ te noemen. Want neoliberalisme, dat betekent toch net ‘minder overheid’ nietwaar? Ook deze begripsverwarring is echter zelf een mooi voorbeeld van populisme. Ten minste, in de negatieve betekenis van dat woord: het hanteren van verdraaiingen die in publieke opinie voortdurend worden herhaald om de ‘gewone mens’ te misleiden.

Neoliberalisme heeft naast zijn psychologische en sociologische betekenissen (e.g. hyperindividualisme, toenemende concurrentie, culpabilisering van slachtoffers, verlies aan empathie, solidariteit en liefde) immers een duidelijk omlijnde politiek-economische betekenis: terwijl het socialisme pleit voor meer vermaatschappelijking en een grotere publieke sector, en het liberalisme daarentegen ijvert voor minder staat en méér markt, staat neoliberalisme voor méér overheid maar dan wel in functie van de vrije markt. Het is een politiek die, sinds Thatcher en Reagan, wereldwijd ruim dertig jaar hetzelfde geloofspunt spijkerhard benadrukt: een steunbeleid voor de economie is cruciaal voor de groei (lees: om de overproductiecrisis, met name de systeemcrisis van het kapitalisme sinds 1970, in de tijd voor ons uit te schuiven.)

Creative Europe is daar een symptoom van. Eén constante in dit cultuurbeleid is het nagestreefde eenrichtingsverkeer van de publieke sector naar de markt. Publieke instituten moeten bijvoorbeeld een bankexpertise uitbouwen om te kunnen lenen en investeren, waardoor ze een speelbal worden van bank en beurs. Subsidies worden terloops als concurrentievervalsing bestempeld, als drukmiddel op beleidsmakers, zodat overheden ook commerciële spelers genereus zullen ondersteunen of ten minste toch de bestaande subsidies voor publieke sectoren afbouwen. Het allesoverheersende ordewoord is ‘publiek-private samenwerking’ volgens de welbekende vampierenlogica: collectiveren van risico en schuld, privatiseren van winst en prestige. Anders gezegd, in de schoot van de gemeenschap moeten innovatieve instrumenten worden ontwikkeld die, zodra operationeel, ‘zuurstof’ moeten geven aan behoeftecreatie, commerce en winstbejag.

Als weerwoord wordt er dan soms op gewezen dat de EU geen cultuurbeleid mag voeren. Dat is zo inderdaad in allerlei verdragen vastgelegd, o.a. om de subsidiëring van mediocre zogeheten ‘euro- pudding’ te vermijden genre Eurovision Song Festival. Maar met Creative Europe voert de EU de facto wel een kunst- en cultuurbeleid. En als het dan toch uitsluitend een economisch beleid mag zijn, waarom moet dat dan noodzakelijk een marktconform beleid zijn, gericht op de recyclage en herdefiniëren van de publieke sector? Waarom mag het dan bijvoorbeeld geen marktconcurrerend beleid zijn, ter versterking van de vermaatschappelijking van de cultuursector, voor en door de gemeenschap, weg van marketing en reclame?

Tot slot, laten we niet vergeten dat zoiets als de ‘Europese commissie’ geen democratische representatie is. Commissarissen die niet rechtstreeks verkozen zijn, ontwierpen naar eigen geloof een beleid dat gaandeweg van een democratisch schaamlapje wordt voorzien. Creative Europe is bijvoorbeeld gebaseerd op een publieksbevraging van slechts een 300tal mensen over heel Europa, waarvan het merendeel (eigen) beleidsmensen. Er kwamen hooguit een tiental kunstenaars aan te pas. Het enige schijnbaar democratische aan het EU-beleid is de wijze waarop de EU zelf haar oppositie organiseert. Via sponsoring werd er zo het platform Culture Action Europe in het leven geroepen. Dat platform waarin weliswaar enkele kunstenaars als uithangbord opgenomen zijn, heeft maar één eis: een hoger budget voor het EU-cultuurprogramma. Elke inhoudelijke kritiek op dit neoliberaal beleid ontbreekt vreemd genoeg compleet. Anders gezegd, de Europese Commissie gebruikt dit platform, dat heel wat leden uit de cultuursector argeloos via petities met hun handtekening onderschrijven, als instrument om het Europese parlement wijs te maken dat het cultuurbeleid dat ze voorstellen sowieso een breed draagvlak zou hebben.

Dat maakt de opbouw van een tegenkracht extra moeilijk, maar des te meer noodzakelijk. Net daarom is een platform als Save our culture! zo belangrijk: het werkt aan de bewustwording, mobiliseert en schept solidariteit tussen cultuurmakers en cultuurliefhebbers, in het belang van de artistieke vrijheid en kritische onafhankelijkheid. Een vuist maken: United we stand!

 

1 Dit is zowat het centrale, motiverende trefwoord van Creative Europe. Het groenboek van de Europese Commissie (COM (2010) 183) hieromtrent vermeldt als één van de drie centrale uitdagingen bijvoorbeeld: “De ontwikkeling van een creatieve economie stimuleren door de overloopeffecten van de Creatieve en Culturele Industrieën (CCI’s) te benutten als katalysator voor een breed scala aan economische en sociale contexten.” – p. 4 (hun vet). Door deze overloopeffecten van de Europese CCI’s zetten we koers naar een vindingrijkere, hechtere, groenere en meer welvarende toekomst.” – p. 3. (De andere doelstellingen: de wereldwijde aanwezigheid van lokale en regionale CCI’s bevorderen, het vergroten van de capaciteit van ondernemers onder meer door het vergemakkelijken van de toegang tot financiering.)