De publieke ruimte van de Staat

24/7_Trojan is een kunstproject dat, op uitnodiging van kunstenaar/curator Stijn van Dorpe en mede mogelijk gemaakt door kunstenaarsinitiatief Expoplu, wordt georganiseerd door Edwin Stolk. Het betreft een onderzoek naar onze relatie met het Keizer Karelplein in Nijmegen: een verkeersplein dat hoog scoort in lijstjes van gevaarlijkste verkeerspleinen in Nederland. Geliefd, gevreesd en ontworpen in 1880 naar Frans voorbeeld van het huidige Place Charles-de-Gaulle in Parijs.

De volgende vragen spelen bij dit project een belangrijke rol: kun je de dynamiek van een specifieke publieke ruimte, onderwerp maken van een kunstproject? Is het mogelijk om met hulp van de gebruikers van deze ruimte het gebruiksrecht te onderzoeken? Is het mogelijk individuele ervaringen van deze ruimte voor elkaar zichtbaar te maken en kunnen we zo samen het beeld van dit verkeersplein veranderen?

Het eerste voorstel van Stolk aan de gemeente Nijmegen betrof een visueel referendum wat gebruik wilde maken van de mobiliteitsfunctie van het plein. Het referendum naar de houdbaarheid van de huidige situatie van het verkeersplein werd door de gemeente verboden. Ook weigerde men verder in gesprek te gaan over de mogelijkheden voor een dergelijk onderzoek.

Op 7 juni vond 24/7_Trojan | De uitwisseling plaats. De locatie was het moeilijk bereikbare midden van de rotonde. Hier waren drie experts, waaronder Joost de Bloois, voor uitgenodigd om in te gaan op onze relatie met de publieke ruimte. Het publiek voor deze presentaties moest oversteken. De tekst hieronder van Joost de Bloois is in deze context door hem geschreven en voorgedragen.

http://www.edwinstolk.nl/247365_dutch.html
http://www.247driveby.tumblr.com/


24/7_Trojan, Nijmegen 7 juni

Omdat 24/7_Trojan de hedendaagse relatie tussen kunst en de publieke ruimte kritisch wil verkennen, wil ik in deze korte presentatie ingaan op het begrip van ‘het publieke’ en ‘het publiek’, en de begrippen die daaromheen cirkelen: ‘publieke ruimte’, ‘publieke zaak’ etc. Het lijkt mij dat de vele discussies vandaag de dag over de politieke betekenis van kunst vaak samenvallen met de vraag naar de publieke rol van kunst. Deze discussies gaan nogal eens gebukt onder de vloek van Habermas: de veronderstelling dat ‘publiek/het publieke’ altijd goed zijn, onderdeel van het moderne, emancipatoire project. De moderne kunst heeft haar politieke legitimiteit altijd ontleend aan haar deelname in dit moderne, emancipatoire project. Ik vraag me echter af of deze vanzelfsprekende gelijkstelling politiek-publiek (de politieke rol van kunst staat gelijk aan haar rol in de publieke ruimte) wel zo onproblematisch is: is het ‘publiek/publieke’ niet ook en vooral een cruciaal begrip geweest in machtsuitoefening door de Staat? Is een beroep op ‘de publieke ruimte’ niet juist een middel om ongewenste zaken uit die ruimte te weren? Ik vraag me dan ook af of de mantra van kunst-in-de-publieke-ruimte niet juist contraproductief is: trekt kunst, in de ‘publieke ruimte’ niet altijd aan het kortste eind?

Het begrip ‘publiek’ neemt een centrale plek in, in de moderne opvatting van politiek en is zonder meer complex. Ik wil hiervan kort een aantal problematische aspecten uit de doeken doen, deels aan de hand van Dan Hinds boek The Return of the Public[1]omdat die aspecten precies de veronderstellingen van de relatie tussen kunst en het publieke ter discussie stellen.

De inzet van het begrip ‘publiek’ is, in eerste –en wellicht ook laatste…- instantie, bezit. Die inzet wordt duidelijk in het Romeinse res publica, dat letterlijk publiek bezit betekent. Zoals Cicero schreef: ‘res publica [est] res populi’; er kan pas sprake zijn van het publiek als de Staat het bezit is van haar burgers. De absolute bestaansvoorwaarde van het publiek – van het publieke, van de publieke zaak en de publieke ruimte – is het collectieve bezit van Staat en staatsmacht. (Hind, 15) Een koninkrijk kent geen publiek in politiek-democratische zin; een koninkrijk kent des te meer een publiek in de zin van: toeschouwers (daarover straks meer). Een tweede cruciale inzet van het Romeinse res publica is de, eveneens absolute, scheiding tussen publiek en privé: de scheiding tussen Staat en huishouden (Hind, 16-17). De republiek kan geen patriarchaat zijn: aan het hoofd staat niet de Koning-Vader; het publiek bestaat niet uit gehoorzame zonen en dochters; wat het publiek bindt zijn niet de bloedlijnen, het eigene, de idiosyncratische familietrek (zo bezien kent noch de monarchie, noch de populistische, etnisch en cultureel homogene natiestaat een publiek). Ook de opvatting van de Staat als boekhouder, politiek als louter economie – als oikonomia, of huishouding – sluit het bestaan van een publiek uit. De res publica veronderstelt dat politiek handelen volledige handelingsvrijheid inhoudt en geen voorwaardelijke, gesanctioneerd door diegene die de Staat in bezit heeft (het waakzame oog van de vader, de ware Nederlander, de 1%). Dit betekent ook dat de republiek geen geheimen kent (Hind, 20): omdat het publiek de volledige verantwoordelijkheid neemt voor haar eigen politiek handelen, mag (of beter: kan) haar geen kennis onthouden worden (wanneer de politieke ruimte een daadwerkelijk publieke ruimte is, is zij volledig transparant; het publieke domein is het domein van de waarheid).

Het moge duidelijk zijn dat deze opvatting van het publieke nogal verschilt van de moderne politieke praktijk (zelfs –en vooral – als die zich republikeins en democratisch noemt). ‘Publiek’ betekent directe participatie, onbemiddeld politiek handelen – of zoals de filosoof Alain Badiou het noemt: een vorm van presentatie, directe aanwezigheid of tegenwoordigheid. Ons moderne, democratisch begrip van politiek is echter gebaseerd op het principe van de representatie, van de vertegenwoordiging. Het publiek handelt en spreekt nooit direct, maar laat zich vertegenwoordigen (het democratisch publiek is fundamenteel passief: het bestaat, net als bij de monarchie, uit louter toeschouwers). Waar het publiek in de res publica tegenwoordig is, is er in de democratie sprake van een scheiding tussen publiek en Staat: het publiek bevindt zich altijd aan gene zijde, tegenover de Staat. Zij die het publiek zeggen te vertegenwoordigen, bezitten de Staat; het publiek zijn zij die – fundamenteel – bezitloos zijn. Wie zien hoe de begrippen ‘publiek’ en ‘bezit’ met elkaar verknoopt zijn: de vraag naar de vertegenwoordiging van het publiek is, in de moderne politiek, ook altijd de vraag naar het bezit geweest. Zij die het publiek vertegenwoordigen, legitimeren hun macht met een beroep op hun bezit: hun economische macht of massa. De politieke klasse is de bezittende klasse (dit is wat politiek-als-economie, politiek-als-huishoudkunde de facto inhoudt: de eigenaar van de oikos, van huis en haard, vertegenwoordigt hen die onder zijn autoriteit vallen: de bezitlozen, vrouw en kinderen).

Zoals Dan Hind in zijn boek laat zien, leidt de sleutelrol van ‘bezit’ in de definitie van de moderne politiek (en de rol van het publiek hierin) tot een perfecte cirkelredenering: politieke vertegenwoordiging mag alleen gebeuren door de bezittende klasse, omdat alleen de bezittende klasse werkelijk vrij is, precies omdat haar bezit haar veilige haven is, de garantie voor haar onafhankelijkheid. We zien hier hoe, in genealogie van de moderne politiek, ‘publiek’ en ‘privé-bezit’ onontwarbaar met elkaar verknoopt zijn: in plaats van de absolute tegenstelling tussen publiek en privé, zoals in de res publica, zien we hoe de publieke zaak louter behartigt kan worden door diegenen die zich kunnen beroepen op privé-bezit (d.w.z. economisch bezit, kapitaal).

Zodoende duikt achter, of beter: tegenover ‘het publiek/het publieke’ altijd weer de Staat op: het publieke domein (waaronder dat van de democratische politiek), valt altijd al onder de hoede van de Staat, die altijd weer synoniem is met ‘bezit’. Dit is een constante doorheen verschillende (en schijnbaar tegengestelde) vormen van moderne politiek en staatsvormen: in de verzorgingsstaat dienen de bezitlozen (werklozen, zieken, kinderen) onder de hoede van de Staat – van het staatshuishouden – genomen te worden; in de neoliberale ‘participatiesamenleving’ onder de hoede van het privé-huishouden van hun naasten, terwijl de Staat het domein is van diegene die het grootste economisch bezit hebben). Zoals nogmaals Alain Badiou stelt: het is niet zozeer dat de democratie zich tegenover de Staat bevindt, het is juist de Staat die de absolute voorwaarde vormt voor democratische vertegenwoordiging, die altijd vertegenwoordiging bij de instituties van de Staat is. De absolute voorwaarde voor democratische vertegenwoordiging is dan ook dat het publiek zich nooit de eigenaar van de Staat mag weten, nooit de Staat in bezit mag hebben. Met andere woorden – en hier raken we aan de kern van niet alleen Dan Hinds reconstructie van het begrip ‘publiek’ maar ook aan die van mijn betoog vandaag – het begrip ‘publiek’ is politiek een uiterst verdacht begrip: daar waar sprake is van ‘publiek’ (als in: publiek ruimte, publieke zaak etc) kan geen sprake zijn van directe tegenwoordigheid van vrije politieke subjecten. We zullen er zo direct nog op terugkomen: dit houdt in dat kunst die zich, uit politiek-democratische motieven verbindt met het ‘publieke’ – kunst in de publieke ruimte etc – wel eens precies het tegenovergestelde zou kunnen doen dan zij denkt te doen; wie zich verbindt aan het publieke, onderschrijft, bewust of niet, de scheiding tussen Staat en publiek, de Staat als hoeder van het publiek(e).

Jurgen Habermas’ beroemde notie van ‘de publieke sfeer’ miskent dan ook zijn eigen voorwaarden (Hind, 36): het belezen, grootstedelijke publiek dat in koffiehuizen discussieert over politiek opereert altijd ten opzichte van de Staat, in een ruimte die haar door de Staat gegund is. De publieke sfeer biedt slechts ruimte aan reactief handelen, op basis van informatie die door de Staat gereguleerd is (en ook hier is de voorwaarde voor die handelingsvrijheid weer het bezit: de moderne burger die zich in de publieke sfeer begeeft, heeft er de middelen en de tijd voor). De ‘publieke sfeer’ –die nog steeds in belangrijke mate ons begrip van politiek en politieke participatie bepaalt – is die van de toeschouwer: een kritische toeschouwer, zeker, maar nog altijd een toeschouwer; ‘publiek’ krijgt hier de betekenis van het theater- of kunstpubliek: het mag zijn ongenoegen laten horen, maar louter als reactie op een voorstelling waarvan het zelf het scenario niet schrijft (39). Dat wil zeggen dat ‘het publiek’ ook altijd al bespeelt wordt, het onderwerp is van manipulatie.

We zien dit ook in de radicalere moderne opvattingen van ‘het publiek’, zoals die van de Franse Revolutie. Het bestuurlijke orgaan van de Jacobijnse regering, onder leiding van Robespierre en Saint Just, heette het ‘comité du salut public’: de ‘raad voor het publieke heil’. De Jacobijnen leveren een politiek model dat nog altijd in zwang is: er wordt geregeerd namens het publiek, in het belang van het publiek – maar niet door het publiek; het publiek is de toeschouwer van haar eigen heil (in dit opzicht sluiten ‘publiek’ en ‘geheim’ elkaar helemaal niet uit: publiciteit of openbaarheid staan helemaal niet gelijk aan ‘waarheid’: als toeschouwers is het publiek afhankelijk van informatie die van elders afkomstig is). De grote emancipatiebewegingen van de 19e en 20e eeuw laten dit model in feite niet los: arbeiders, vrouwen, jongeren worden erkent als politieke actoren, maar altijd in zoverre zij meedingen naar de staatsmacht. De paradox van de moderne politiek wil dat de ‘publieke zaak’ vooraleerst een aangelegenheid van de Staat is. De publieke zaak is een beheersstrategie van de Staat (zoals we direct zullen zien: de publieke ruimte is onveranderd de ruimte die onder auspiciën van de Staat valt; vandaar mijn scepsis ten opzichte van ‘kunst in de publieke ruimte’: hoe kritisch zij ook is, zij beweegt zich in een ruimte waarvan zijzelf de contouren en de regels niet bepaalt). De publieke zaak (onderwijs, gezondheidszorg, kunst) bestaat bij de gratie van haar delegatie aan de Staat. Het feit dat, tot een decennium of twee geleden, de overheid/Staat in dienst zei te staan van ‘de publieke zaak’ verandert niets aan die logica: sociale mobiliteit (door onderwijs), een goede gezondheid (door zorg), betrokken burgerschap (door kunst) zijn ondubbelzinnig positief, maar hebben, even ondubbelzinnig, als voorwaarde dat al deze domeinen door de Staat beheerd worden.

De huidige dominante politieke ideologie, die we gemakshalve ‘neoliberalisme’ zullen noemen, lijkt op het eerste gezicht niets te moeten hebben van de ‘publieke zaak’: het neoliberalisme is de politiek van de privatisering. Het stelt de Staat in dienst van het eigenbelang: de Staat heeft als functie het eigenbelang zoveel mogelijk te faciliteren, om alle mogelijke obstakels voor het nastreven van eigenbelang weg te nemen (en zodoende, het nastreven van het eigenbelang op te leggen…). Echter, zoals we al zagen, is er altijd sprake geweest van de verknoping tussen privé en publiek, bezit en Staat: het neoliberalisme is een accentverschuiving, een verschuiving binnen een constellatie die in feite onveranderd blijft. De Staat behoudt ook onder het neoliberalisme haar beheersfunctie, de ‘publieke ruimte’ blijft onverminderd onder haar auspiciën staan, de bezitlozen blijven onder de hoede van de Staat vallen. We zouden kunnen zeggen dat het neoliberalisme de logica van de moderne staatsmacht (waarvan het begrip ‘publiek’ een belangrijk ingrediënt is) op de spits drijft: de Staat valt meer dan ooit samen met bezit (de rol van de Staat is het faciliteren van de accumulatie van bezit, van kapitaal), het publiek is meer dan ooit toeschouwer omdat politiek louter de vertegenwoordiging van een eigenbelang inhoudt dat door de Staat wordt vormgegeven.

Dit heeft zo zijn gevolgen voor het hedendaagse begrip van het ‘publiek’ en ‘het publieke’ (als in: de publieke ruimte). Enerzijds, wordt ‘het publiek’ gedefinieerd als een verzameling individuen eerder dan als een verenigd politiek subject (met een gedeeld belang), als een verzameling individuen die hun eigenbelang nastreven: de burger als ondernemer, de burger als consument; deze burger wordt voortdurend herinnert aan zijn ‘eigen verantwoordelijkheid’: hij is niet zozeer vrij als wel permanent aansprakelijk voor zijn handelen. Anderzijds, blijft de rol van de Staat als hoeder van de ruimte waarin die burger zich begeeft onverminderd van kracht: de hedendaagse burger dient zijn eigenbelang na te streven, maar zich tegelijkertijd te schikken naar de logica van de vertegenwoordiging: geregeerd wordt nog altijd namens ‘het publiek’ in het belang van het publiek. De huidige obsessie met veiligheid is hier het veegste teken van: in de ‘publieke ruimte’ dient ‘het publiek’, door de Staat, tegen zichzelf in bescherming genomen te worden. Het ‘recht op veiligheid’ van het publiek ontneemt datzelfde publiek handelingsvrijheid; een schitterend voorbeeld hiervan is de afwijzingsbrief van de gemeente Nijmegen aan Edwin van diens eerste voorstel voor een toneelstuk op deze plek: het publiek zou teveel gevaar lopen in het drukke verkeer; het publiek moet door de Staat tegen zichzelf in bescherming genomen worden zodat de constante stroom van verkeer en goederen (het constante nastreven van het economische eigenbelang) doorgang kan vinden, 24/7. Zo werd ook het Occupy kamp in Amsterdam ontruimt met een beroep op de publieke hygiëne en veiligheid van de deelnemers aan Occupy…

Maar wellicht belangrijker nog: in de neoliberale politiek speelt het begrip ‘publiek’ wel degelijk een heel belangrijke rol. Het beroep op ‘het publiek’ wordt de legitimering van de politiek van de privatisering. Staat en politiek moet gemodelleerd worden naar de markt, naar economische modellen omdat deze democratischer zouden zijn dan de politiek zelf. De markt vormt de ware democratie: op de markt kan de burger-consument immers elke dag kiezen (Hind, 79), het ‘publiek’ bepaalt wie op de markt overleeft en wie niet, wie op de markt zeggenschap heeft en wie niet. Waar de politiek slechts eens in de vier jaar de burger aan het woord laat, kan diezelfde burger op de markt iedere dag zijn stem laten horen. Op de markt wordt iedere dag het publieke draagvlak bepaalt. Voor het neoliberalisme is de markt is de ultieme publieke ruimte, het model voor alle andere vormen van publieke ruimte (niet in de laatste plaats die van de politiek). In het neoliberale begrip van ‘het publiek’ raken economie en democratie onontwarbaar met elkaar verknoopt: alleen dat wat economisch levensvatbaar is heeft politiek bestaansrecht: het publiek is de onverbiddelijke scheidsrechter in de politieke arena, maar alleen in zoverre het beantwoordt aan de logica van de markt: markt en politiek vallen volledig samen in het neoliberale begrip van ‘het publiek’. In dit opzicht – en dit valt niet te onderschatten – is er geen enkele tegenstelling tussen neoliberalisme en populisme: beide claimen slechts de publieke wens naar de vervulling van het eigenbelang te vertolken. Onder het neoliberalisme bepaalt het publiek wie of wat zeggenschap heeft, maar alleen nadat ‘het publiek’ eerst gedefinieerd is als verzameling consumenten en de politiek als marktplaats: iedere opvatting van publiek of politiek die hierbuiten valt, kan gemakkelijk weggezet worden als ondemocratisch of gevaarlijk (‘ondemocratisch’ is die politiek die de logica van de markt en het eigenbelang weigert te volgen; zij is gevaarlijk omdat zij het vrij nastreven van het eigenbelang – dat wil zeggen: van het accumuleren van bezit en kapitaal – dreigt tegen te werken). Een politiek die gebaseerd is op collectief belang, op ideeën, die streeft naar collectieve vormgeving van onze leefomgeving (dat wil zeggen: naar een daadwerkelijk publieke ruimte) wordt nu weggezet als ondemocratisch. De curieuze logica van het neoliberalisme stelt in feite: het collectieve belang is ondemocratisch (het is een curieuze logica, maar wel een die zich de afgelopen decennia diep geworteld heeft in ons denken over samenleving, politiek en onszelf).

Dit alles heeft nogal wat gevolgen voor de rol van kunst in (met nadruk tussen aanhalingstekens) ‘de publieke ruimte’. Ik ben sceptisch over de rol van kunst in de ‘publieke ruimte’, omdat een dergelijke rol het bestaan van zo’n ‘publieke ruimte’ veronderstelt, en dat lijkt me vandaag hoogst twijfelachtig. De ‘publieke ruimte’ – in feite: alles wat cirkelt rondom ‘het publiek(e)’ – is doortrokken van en staat in dienst van de neoliberale logica van de privatisering. Als de ‘publieke ruimte’ niet al letterlijk geprivatiseerd is, dan is zij wel onderdeel van een beheersstrategie die deze privatisering moet faciliteren en vorm geven. De neoliberale politiek is de politiek van de ongelijkheid: van de concurrentie, van het accumuleren van bezit en kapitaal door de 1%. Die ongelijkheid krijgt meer en meer vorm in de publieke ruimte, en kunst wordt niet zelden ingezet als mede-vormgever van ongelijkheid. Het is de afgelopen jaren uitgebreid in kaart gebracht: kunst als aanjager van grootstedelijke gentrification, kunst als instrument voor city marketing, kunst als middel om stadswijken en steden aantrekkelijk te maken voor toeristen, investeerders, expats en de nieuwe creatieve klasse (en en passant te ontdoen van iedereen die niet in het plaatje van de creatieve, cosmopolitische stad past: de voormalige arbeidersklasse, migranten, werklozen). Het burgerlijke idee van de kunst als wezenlijk onderdeel van civiele Bildung wordt zodoende geperverteerd: de publieke zichtbaarheid van kunst dient nog slechts als smeermiddel voor private investeringen en winst; de kunst als broedplaats voor economische meerwaarde. Of nog directer: de keuze die bijvoorbeeld het Stedelijk Museum heeft gemaakt om het luxe toerisme te cateren: het museum als speelplaats voor de 1%, of tenminste voor de internationale, culture minded upper classes. Anderzijds, zien we hoe kunst – niet zelden in weerwil van claims van kunstenaars zelf – de participatiesamenleving realiseert door de leefbaarheid te willen verbeteren, de gemeenschap te willen herstellen in die plekken die door het neoliberalisme willens en wetens zijn opgegeven; het sociale weefsel dat door de neoliberale economie kapot getrokken wordt, wordt door de kunst weer opgelapt. Naarmate de crisis vordert zien we hoe zelfs deze rol voor de kunst steeds precairder wordt: onder het neoliberale bewind valt alles onder de wet van de meerwaarde: kunst dient onmiddellijk economische meerwaarde te produceren, zelfs de rol van aanjager van die meerwaarde is haar niet meer gegund.

Tegelijkertijd lijkt de kunst op een andere manier uit de ‘publieke ruimte’ te verdwijnen, of liever: lijkt de ‘publieke ruimte’ uit de kunst te verdwijnen. Op dit moment prijkt in neonletters op het Rijksmuseum: Art Is Therapy’: kunst als therapie, kunst als self-help. Kunst mag hier niet eens meer de illusie ophouden een gemeenschap aan te spreken, laat staan te vormen. Kunst in dienst van de eigen verantwoordelijkheid, kunst om ‘aan jezelf te werken’, kunst ten gunste van het hoogst individuele eigenbelang. Zelden was de neoliberale logica zo naakt: zelfs het Rijksmuseum, dat toch veronderstelt wordt iets over onze gemeenschap en collectieve identiteit te zeggen te hebben, weet niets meer te bieden dan kunst als zelfmedicatie voor de wegkwijnende middenklasse.

Zoals ik al zei: het is geen toeval dat neoliberalisme en populisme het zo goed met elkaar kunnen vinden. In beide gevallen, vallen het publieke en het private, het eigenbelang en het collectief, samen. Het populisme is hyper-idiosyncratisch: de kale kop van Pim, de blonde kuif van Geert, het fantasma van de blanke onbevlektheid van Martin Bosma: allemaal markeren ze een uitgesproken anti-universalisme, de politiek van het particuliere, van de ongelijkheid. De publieke ruimte wordt hier verengd in louter nationale, cultureel-etnische termen. Dit gaat even goed samen met de mediatisering van de politiek: voor de schijnwerpers worden niet langer het gemeenschappelijk project uitgevent, maar persoonlijkheden. Politieke verslaggeving wordt de arena voor ad hominem aanvallen: diegenen die publiekelijk het woord nemen stelen zich bloot aan de hoon en intimidatie van GeenStijl en PowNed. Politieke verslaggeving wordt het domein van onthullingen, schandalen, naming and shaming. De digitale ruimte wordt ofwel volledig overvleugeld door de privé-ruimte (in de sociale media), ofwel staat volledig onder de controle van de Staat en haar afluisterdiensten.

Hoewel er aan retorisch tegenwicht geen gebrek is in de wereld van de kunst en kunsttheorie, betwijfel ik of de kunst nog enige substantiële publieke betekenis heeft in een dergelijke context; de vraag naar de publieke rol van kunst – die ook in Nederland in crisistijd voortdurend klinkt – de vraag naar de plek van kunst in het publieke domein lijkt me de verkeerde vraag. De ‘publieke ruimte’, ‘de publieke zaak’ en ‘het publiek’ dat die vraag veronderstelt bestaan al enige tijd niet meer – als ze ooit bestaan hebben, zoals ik kort heb willen aanstippen. Een veel pertinentere vraag lijkt me dan ook: hoe verhoudt kunst zich tot de afwezigheid, of op zijn minst het verdwijnen, van het publieke? Hoe verhoudt de kunst zich tot het verdwijnen van de publieke, politieke rol die voor haar was weggelegd in het burgerlijk kapitalisme (de sociaaldemocratie, de welvaartsstaat) van de 20e eeuw? Hoe verhoudt de kunst zich tot het verdwijnen van een collectief emancipatoir project? Welke conclusies zal de kunst trekken uit de erkenning van de fundamentele discrepantie tussen de (nog steeds modernistische) retorische legitimering van haar politieke en publieke betekenis en de politiek-economische praktijk van alledag? Dat zijn vragen waarover we wellicht in deze zeer besloten publieke ruimte kunnen discussiëren.

 

 


[1] Dan Hind, The Return of the Public, London: Verso, 2010.