Paradisodebat – Akademie van Kunsten

De onderstaande tekst is geschreven en voorgedragen door Barbara Visser – voorzitter van de Akademie van Kunsten – als inleiding voor het Paradisodebat 2014, georganiseerd door Kunsten ’92.

Paradisodebat – Inleiding op de Akademie van Kunsten

Bijna veertig jaar geleden stond ik voor het eerst van mijn leven hier, in Paradiso. Ik was een jaar of 10, en zag, in totale verwondering en verbijstering, hoe een prachtige vrouw zingend èn in haar blote kont op een ladder naar de nok van deze ruimte klom. Die vrouw was de kunstenaar Moniek Toebosch. Er gebeurde van alles tegelijk dat ik niet kan navertellen, zoals geen enkel kunstwerk ooit na te vertellen is. Maar als kind ben je daar ook niet mee bezig. Het was vooral een ervaring, en een openbaring. Het was bijzonder, vrolijk, wild en moedig.

Vandaag zijn de omstandigheden heel anders. Ik sta hier keurig aangekleed, u zit op een stoel en houdt voorlopig nog even uw mond. Het is een andere tijd. Een tijd waarin ons kort geleden nog gevraagd werd wie wij eigenlijk zijn, en wat we eigenlijk doen, als kunstenaars. 

Mijn naam is Barbara Visser. Ik ben beeldend kunstenaar en docent en sinds kort ben ik ook voorzitter van de Akademie van Kunsten. Het is vooral in die laatste hoedanigheid dat ik hier spreek.  Ik doe dat ook namens het bestuur, dat naast mij bestaat uit de leden Francine Houben, Johan Simons en Gijs Scholten van Aschat.

De Akademie van Kunsten is in april van dit jaar opgericht door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, met hulp van de publieke cultuurfondsen.

De Akademie bestaat uit onafhankelijke makers, en bestaat bij de gratie van het onderlinge verschil tussen die makers. Wij zijn niet op zoek naar algemene consensus, of de grootste gemene deler: waar ik wij zeg, is dat niet de mening van alle leden samen– sommige leden gruwen bij het idee van een gezamenlijk standpunt. Het betekent dat ik op dit moment degene ben die namens de Akademie spreekt, op persoonlijke titel.
Het is een paradox die uitstekend bij het karakter van de Akademie van Kunsten past.
Dat het überhaupt is gelukt om een club op te richten van mensen die niet bij een club willen horen, mag een wonder heten.

Wij zijn een actief en open verbond dat zich wil verhouden tot de maatschappij, zoals de kunst zich verhoudt tot het leven zelf: soms beschouwend en op afstand, soms als middelpunt van de cultuur die haar voortbrengt.

Onze heroprichting is niet alleen symbolisch maar ook een uitnodiging die ons de kans geeft om werkelijk van invloed te zijn. Die kans willen we ten volle benutten.

II

Voor ons, de negentien leden waaruit wij nu nog bestaan, volstond het tot voor kort om gewoon datgene te doen waar we goed in zijn: te reflecteren en te reageren op de cultuur waarin wij leven, met onze eigen middelen.

Maar in een nogal giftige wisselwerking tussen kunst, publiek, politiek en media is een karikatuur ontstaan van de kunstenaar die met zijn rug naar het publiek toe staat. Of dat beeld nu klopt of niet, de politiek handelde daarnaar, en de gevolgen zijn bekend.

Inmiddels lijken we ook daar alweer voorbij: in de wandelgangen wordt al gesproken over de wonderbaarlijke veerkracht van de kunsten. Maar wie je dat ook hoort zeggen, het zijn nooit de kunstenaars zelf. Bij veel makers en bemiddelaars loopt de druk nog altijd op. Wel hebben woede en teleurstelling plaatsgemaakt voor pragmatische oplossingen en een wat selectieve vorm van saamhorigheid. Twee jonge cultuurfilosofen waar ik onlangs mee sprak verwoordden dit prachtig. Ze zeiden: ‘we hebben nog nooit in de geschiedenis zo’n helder zicht gehad op de problemen die er zijn, en dat stemt optimistisch’.

Vanuit dat optimisme wil ik hier spreken, en dat is ook het uitgangspunt van de Akademie van Kunsten, dat je als volgt zou kunnen samenvatten:

Kunst is belangrijk voor de samenleving en het individu, om iets van onszelf en de cultuur die wij voortbrengen, te kunnen begrijpen.

Niemand houdt nog van lange zinnen, maar het past zonder problemen in een twitterbericht – u hebt zelfs nog 7 tekens over. 

III

Ik wil graag iets zeggen over onze prille uitgangspunten.
De komende drie jaar zullen we ons met name richten op drie dingen: de rol van onderzoek, de dialoog met anderen, buiten de Akademie, en kunst in het onderwijs.

Maar voordat ik daar verder op in ga, wil ik een paar vragen oproepen die daar indirect betrekking op hebben:

Ten eerste: waarom moet alles gemeten?

Allereerst stelt de Akademie zich tot doel de onafhankelijke positie van de kunstenaar te waarborgen en waar nodig te bevechten. Dat laatste is nodig omdat het huidige marktdenken er toe leidt, dat alles aan dezelfde criteria onderworpen wordt: de meetbaarheid der dingen regeert. 

Het meten van ons doen en laten neemt krankzinnige vormen aan. Dit heeft niets met nieuwsgierigheid te maken, maar met de angst voor het onbeheersbare. Er wordt gemeten om verantwoordelijkheid af te dekken, in plaats van die te nemen. Maar onzekerheden horen bij onze samenleving.

In dat opzicht zitten kunst en wetenschap op één lijn. Tussen het werk van een wetenschappelijk onderzoeker en een kunstenaar is veel verwantschap: de wil om ons tot het onbekende te verhouden en de creativiteit die nodig is om tot nieuwe inzichten te komen.
Zowel bij wetenschap als kunst is praktisch nut geen noodzaak, oorspronkelijkheid wel.
Die oorspronkelijkheid komt niet vanzelf. Er is tijd en vertrouwen voor nodig om tot resultaten te komen.

Onderzoek en experiment hebben tegenwoordig de schijn tegen: het is nog niet meetbaar, het doel is per definitie onzeker. Maar onderzoek is geen onderzoek, als je van tevoren al weet wat er uit komt.

Uiteindelijk ligt het belang van de dingen niet in de meetbaarheid ervan, maar in wat het voor iemand betekent.
Er is moed voor nodig om dat te erkennen.


Een tweede kwestie ishoe vertaal je de kunst naar andere talen?


Als beeldend kunstenaar zijn er meer mensen die over mijn werk lezen of erover horen spreken, dan die het werk zelf zien. De geschreven of gesproken weergave is een vertaling van het werk.

Die vertaling is nodig, omdat de taal die we in de kunsten onderling spreken en schrijven, voor veel mensen een soort geheimtaal is. Ook de wetenschap heeft met die taalbarrière te maken. Het wordt te weinig onderkend hoe ontzettend moeilijk het is om die vertaalslag te maken, op een manier die ons werk opent naar een mogelijk publiek.

Wij willen zelf als Akademie vanaf dit najaar, informele publieke momenten organiseren, waar we een koppeling maken tussen tonen en vertellen: show-and-tell, waar voor een breder publiek over specifieke projecten wordt gesproken, meestal door makers zelf.

Maar ook in de journalistiek zou naar meer helderheid en kennis gestreefd kunnen worden, in plaats van simplificatie uit  (geveinsd) onbegrip.

Na meetbaarheid en vertaling wil ik – hopelijk ten overvloede – het verschil tussen kunst en cultuur verhelderen.

Johan Simons heeft dit al vaker uitgelegd, maar desondanks worden die twee nog steeds hopeloos door elkaar gehaald. Die verwarring bemoeilijkt het gesprek over de positie van de kunsten.

Cultuur, daar versta ik alles onder dat wij doen of maken.
Het is onmogelijk om geen onderdeel te zijn van de cultuur waarin je leeft. Je hoeft maar een zoute haring te bestellen of je zit er al middenin. De HEMA, Deltawerken, Mondriaan, Marlene Dumas of een ijzige politieke wind: het is allemaal cultuur.
Kunstwerken kunnen onderdeel worden van onze cultuur, maar zijn dat op het moment dat ze gemaakt worden nog niet.

Voor de maker is een zekere afstand tot de cultuur cruciaal, om goed zicht te hebben op wat zich er afspeelt.

Die afstand wordt soms gezien als desinteresse van de kunstenaar in de wereld. Maar het tegendeel is waar: deze houding komt voort uit de noodzaak een figuurlijke stap achteruit te doen en zo het verband tussen de dingen te kunnen zien. Het is een verandering van perspectief die overzicht geeft. Een overzicht dat belangrijk is, om iets van onszelf en de cultuur die wij voortbrengen, te kunnen begrijpen.

Als laatste vraag: welke verbinding is zinvol, en welke niet

Kunst is geen toverstaf voor maatschappelijke problemen. Sectoren die het moeilijk hebben aan elkaar koppelen, zal voor beiden weinig opleveren: de lamme ondersteunt de blinde, om het maar even cru te zeggen.

Op commando presteert de kunst eigenlijk heel weinig. Dat kun je jammer vinden, maar zo zit het vak niet in elkaar en daarin onderscheidt het zich van alle andere domeinen. Dat maakt de kunst tot wat het is.

Kunstenaars en wetenschappers benaderen de dingen op een manier dat onverwachte dwarsverbanden ontstaan. Wanneer wij als kunstenaar de ruimte krijgen, dan zullen wij ons altijd verbinden met anderen, op welke wijze dan ook. Dat het initiatief voor die verbinding bij de kunst zelf moet liggen heeft te maken met een inhoudelijk motief dat aan die keuze ten grondslag ligt.

Wat gaan we doen? 

Onderzoek binnen en buiten onze disciplines, dialoog met mensen en partijen buiten de Akademie, en onderwijs zijn de gebieden waar het de komende drie jaar voor ons om draait:

De Akademie van Kunsten wil niet alleen dingen zeggen, maar ook doen. We zijn tenslotte makers.

Ten eerste onderzoek.
We willen een aantal dingen ondernemen om de schoonheid van onderzoek – letterlijk het zoeken zelf – in kunst en ontwerpen te laten zien. Het idee dat wij alleen in glorieuze eindproducten grossieren, is een te beperkt beeld. Er gaat altijd een periode aan vooraf waarbinnen twijfel en enthousiasme de motor zijn.
Onze leden doen jaarlijks voorstellen, waarbij een uitwisseling tussen kunst en een andere expertise – van welke aard dan ook – centraal staat. 

Wat gebeurt er, als je een wiskundige een week opsluit in Kytopia? Of als Arnon Grunberg embedded gaat bij de aandelenbeurs? Wat doet Shakespeare met pubers, zoals Gijs Scholten van Aschat zich afvroeg?

Het kan een radicaal experiment zijn of leiden tot een afgerond werk. Welke vorm het ook aanneemt, we willen de route erheen zichtbaar maken: waar en wanneer ontstaat iets en wat is het plezier en de opgave tijdens het maken?

Als we het over de dialoog hebben, dan is dat met mensen en organisaties buiten de Akademie, alleen al omdat 19 leden een veel te klein aantal is om het mee oneens te zijn.
Ik zie de Akademie als een soort moederschip, met satellieten van verschillende omvang, in de stad, het land, en in Europa.

Een voorbeeld van zo’n satelliet is een project rond de Artis bibliotheek, dat is opgezet door een kunstenaar en een wetenschapper. Zij willen aan de hand van de keuze van een aantal gasten, de waanzinnige collectie die daar opgeslagen is ontsluiten. Waar mogelijk helpen wij daarbij, praktisch en inhoudelijk.

Dit sluit aan bij een ander project: de rol van taal en de plek van de bibliotheek in onze cultuur. Francine Houben is daar mee bezig. Als architect van verschillende bibliotheken wereldwijd, bespreekt zij met verschillende makers en denkers de rol van de hedendaagse bibliotheek, in het licht van bijvoorbeeld de digitalisering.

Naast onderzoek en dialoog willen we werken (en dat doen we ook al) aan het ontwikkelen van een idee over kunst in het onderwijs – een idee dat tot structurele veranderingen kan leiden.

Kunst in het onderwijs zou moeten gaan over persoonlijke ontwikkeling, en niet om fröbelen op de vrijdagmiddag of een cultuurkaart afknippen.

Er zijn voorbeelden van projecten op scholen die verbluffend eenvoudig zijn. Die gaan over de perceptie en over tijd, over aandacht en kritisch kijken en luisteren.

Ik werd gewezen op het Britse project ‘a minute of listening’. Leerlingen luisteren elke ochtend 1 minuut met de ogen gesloten naar een geluid dat wordt afgespeeld. Daarna bespreken ze wat ze denken dat ze gehoord hebben. Dit is een dagelijks terugkerend ritueel. In al zijn simpelheid blijkt het een enorme bijdrage te leveren aan de verbale vaardigheden, associatief denken en concentratie van de leerlingen.

Uiteindelijk gaat het in de kunst om verbeelding, inzicht, denkkracht, motoriek en overdracht van ideeën.
Die kwaliteiten zijn op alle terreinen in het leven waardevol, en daar zou de focus van het kunstonderwijs moeten liggen.


Ten slotte

Het kunstklimaat is een samenspel van factoren waar politiek, samenleving, kunstenaar, publiek en media onderdeel van zijn.

Dat we als sector elke vier jaar door een ander hoepeltje moeten springen is een kunstje, dat tot op zekere hoogte bij het spel hoort. Met de Akademie van Kunsten willen we proberen een stevig fundament te leggen voor een positie van de kunsten, die los van de veranderlijke politieke winden kan bestaan.

Kunst is geen medicijn, geen smeermiddel, geen kers op de taart en het is ook zeker niet het leugenachtige luxeartikel zoals Camus dat noemde in ‘De kunstenaar en zijn tijd.’

Het onderkennen van het belang van kunst, als onze geestelijke infrastructuur toont de beschaving van een land.
Dat klinkt pretentieus, en dat is het ook.
De pretentie om tot de beschaafde wereld te horen is niet elitair. Het is een oprechte wens, een hoopvol verlangen. Volgens mij heeft iedereen die pretentie. Ik hoor in elk geval nooit iemand zeggen: woonde ik maar in armoedig land, waar alles lelijk is.

Ik hoop dat de Akademie van Kunsten kan laten zien dat nieuwsgierigheid niet het exclusieve terrein van kunstenaars en ontwerpers is.

Dat Moniek Toebosch, die hier vol bravoure in de nok hing, later mijn docent zou worden, was misschien toeval. Ze leerde mij, en met mij vele anderen, wat die vrolijke, wilde moed zou kunnen zijn. Alleen al om die reden zou ik haar postuum lid van de Akademie willen maken.
Ik hoop dat wij allemaal, los van planningen, statistieken, nota’s en verplichtingen, de moed hervinden om te kiezen voor dat, wat we echt belangrijk vinden.
Voor de Akademie van Kunsten betekent het dat we de wereld met open vizier tegemoet treden

ten eerste door onderzoek: waar bevinden we ons
ten tweede in dialoog: wat zou dat kunnen betekenen voor anderen
en ten derde in het onderwijs: hoe stellen wij ons de toekomst voor?

Een laatste vraag:
Willen we avontuur, of alleen het idee van avontuur?

 

foto: via Kunsten ’92