Paradisodebat 2014

“Willen we het avontuur of het idee van avontuur?”

Het jaarlijkse Paradisodebat was dit jaar anders. Normaal gesproken zijn de cultuurwoordvoerders van de Haagse politieke partijen uitgenodigd om over hun beleid te debatteren. Dit levert meestal een herhaling van de clichés uit de verkiezingsprogramma’s op en voedt alleen het idee dat de meeste cultuurwoordvoerders weinig kennis van en interesse hebben in hun portefeuille. Voor deze editie heeft organisator Kunsten ’92 besloten dat het tijd is om het verhaal van het belang van de kunst in plaats van door de politieke cultuurwoordvoerders uit Den Haag door de kunstsector zelf te laten verwoorden. Een mooie meevaller bij deze opzet is dat Barbara Visser als voorzitter van de nieuwe Akademie van Kunsten (AvK) een podium krijgt om de visie en plannen van de AvK aan de rest van het culturele veld te openbaren.

Na een prachtig recital door AvK bestuurslid en acteur Gijs Scholten van Aschat van Albert Camus’ ‘De kunstenaar en zijn tijd’, begint Barbara Visser aan haar verhaal (namens de AvK, maar op persoonlijke titel) waarin ze een aantal kernpunten noemt die refereren aan zowel de rumoerige recente geschiedenis van de Nederlandse kunstwereld, als de toekomstplannen van de AvK.

Visser begint met de vraag waarom alles toch gemeten moet worden. Dit is volgens haar uit angst voor het onbeheersbare. Om hier verandering in te brengen, wil de AvK als tegengewicht voor de druk naar meetbare resultaten de ‘schoonheid van het (onder)zoeken’ benadrukken. Daarnaast wil zij dit bereiken door kunstonderwijs als essentieel onderdeel van de persoonlijke ontwikkeling te zien in plaats van genoegen te nemen met het afknippen van een cultuurkaart of fröbel op vrijdagmiddag.

Volgens Visser is er een onderscheid tussen kunst en cultuur. Cultuur is het geheel, kunst is daar een (klein) onderdeel van. Om deze reden heeft de kunstenaar soms afstand tot de cultuur nodig (anders gezegd moet hij ‘autonoom’ kunnen werken), omdat hij die cultuur moet kunnen analyseren en bekritiseren. Die afstand (vrijheid of autonomie) betekent echter niet dat de kunstenaar ’met de rug naar de samenleving’ staat, integendeel!

‘Kunst is geen toverstaf voor maatschappelijke problemen en presteert ‘bovendien slecht op commando’, aldus Visser. Als de kunst daarentegen de (zowel conceptuele als financiële) ruimte krijgt, ontstaan er vanzelf verbindingen met andere delen van de samenleving.

Na Vissers betoog stelt een zeer ijverige Ruben Maes haar de ‘verschrikkelijke vraag’: ‘Waarom hebben we kunst nodig?’ Barbara Visser kijkt hem een beetje verbaasd aan, aangezien ze dit toch zojuist zeer eloquent had uitgelegd. Toch schijnen ook anderen zich deze vraag te stellen. Mona Keijzer (CDA) vraagt zich daarentegen vooral af waarom er nou subsidiegeld naar de kunsten moet gaan als je eenzelfde (spirituele) ervaring hebt bij meditatie, hardlopen of religie. Dat zij de portefeuille cultuur heeft, zegt mijns inziens veel over het CDA.

Als derde en laatste spreker maakt filosofe Joke Hermsen verbaal gehakt van Mona Keijzer. Zo ook het publiek dat Keijzer meerder malen uitlacht. Je zou meer mogen verwachten van een politicus, maar door haar uit te lachen wordt ze ook gelijk bevestigd in haar idee dat kunst niet voor iedereen is. Daar zouden we als sector mee moeten oppassen, want alleen omdat wij het belang van kunst inzien én vanzelfsprekend achten, betekent niet dat iedereen dat doet – zelfs niet een cultuurwoordvoerder tijdens een cultuurdebat. Wij zullen bereid moeten zijn de ander de weg naar het avontuur te helpen vinden, in plaats van ze alleen in grote gewichtige woorden en een zwoele betweterige stem over het avontuur te vertellen. Pas dan kunnen we recht doen aan de inleidende vraag van Barbara Visser en van de samenleving eisen dat zij met ons mee op avontuur moet gaan.

Tijdens de daaropvolgende discussie worden een aantal goede punten naar voren gebracht, bijvoorbeeld dat het belangrijk is bij dit soort evenementen een onderscheid te maken tussen ‘beleid en fundamentele discussie’ (Ann Demeester), en tussen ‘politieke bemoeienis en politieke visie’ (Barbara Visser). Politici zouden in andere termen moeten denken en spreken dan alleen over subsidies – en dat tevens niet als iets negatiefs beschouwen. Melle Daamen en andere leden van de Raad voor Cultuur mengen zich in de discussie – dit keer niet achter een betaalmuur in de NRC – en stellen dat je ‘kunst niet heilig moet verklaren’, anders ondermijn je de mogelijkheid om erover (politiek) te kunnen debatteren.

Het wordt interessant de komende jaren te zien hoe de AvK en RvC elkaar gaan benaderen en welke rollen ze gaan innemen in het debat. De AvK kan een onvermijdelijke tegenstander worden in de discussie over het belang van kunst in de samenleving. Hopelijk weten Visser en de andere AvK leden ook de politiek te inspireren om zich los te werken van een te rigide opvatting van de Thorbecke-doctrine en zich te laten inspireren door zelf naar kunst te gaan kijken, en (wie weet) iets meer te zien dan alleen economisch nut. Dat zou de start van een echt avontuur kunnen zijn!

Rune Peitersen 01-09-2014