Geëngageerde kunstenaar heeft samenleving wel degelijk iets te bieden

Door Tabo Goudswaard en Klaas Kuitenbrouwer

Hans den Hartog Jager legt een vinger op een zere plek: als je maatschappelijke invloed wil hebben als kunstenaar, moet je niet in de white cube willen blijven werken. Maar wat kan een artistieke praktijk betekenen buiten de kunstsector en haar eigen criteria? Hoe kan een kunstenaar impact hebben op wat mensen belangrijk vinden in de maatschappij? Hoe kan een kunstenaar een bestaand systeem effectief veranderen?

Dat kan door artistieke interventies te doen buiten de kunstwereld, in de publieke sfeer of bij bedrijven. Maar dan krijg je te maken met twee typische reacties.

Als een artistieke interventie gewaardeerd wordt vanuit de geïntervenieerde organisatie, dan is dat meestal niet in de eerste plaats om artistieke, maar om andere redenen “Het schudde de boel weer eens lekker op”, “Het verbeterde de sfeer”. Als een interventie een ontregelend effect heeft dan kan het gebeuren dat hij ergernis opwekt of als sabotage gezien wordt. De gevaarlijkste reactie is “O, het is kunst”. Dit is in feite een immuunreactie: de ontregeling wordt door de betrokkenen geïsoleerd van de normale gang van zaken om te voorkomen dat de werkelijkheid te veel bevraagd moet worden (laat staan getransformeerd).

Vanuit de kunstwereld zien we een tegenovergestelde reflex, die ook gelijkenissen met een immuunreactie vertoont. Zolang een kunstwerk een extern systeem effectief ontregelt gaan de duimen omhoog. Maar op het moment dat het een sociale werkelijkheid niet alleen becommentarieert maar ook daadwerkelijk transformeert – dus als het echt ‘werkt’ buiten het kunstsysteem – wordt het geconfronteerd met de vraag: “Maar is het dan nog wel kunst?” Kunstenaars die met hun werk van invloed willen zijn op maatschappelijke processen moeten dit soort reacties zien te omzeilen. Maar hoe doe je dat?

Verkenning
De samenwerking van organisaties met kunstenaars wordt nu verkend bij zogenaamde taaie problemen. Problemen in onze maatschappij waar vertegenwoordigers van huidige instanties – van sociaal werkers tot politici – hun tanden op stuk bijten. Ze zijn te typeren als vraagstukken waarover zowel (te) weinig kennis is als weinig consensus. Ze zijn open, complex, dynamisch en verbonden. Er zijn meestel geen (voor de hand liggende) probleemeigenaren. Om er iets mee te doen moet hoe dan ook samengewerkt worden, want er zijn vele belanghebbenden. Er is behoefte aan een frisse blik, kunstenaars kunnen daar wellicht aan bijdragen.

Kunstenaars gaan niet ineens de oplossing voor een taai probleem bedenken. Maar zij kunnen wel voorstellen doen voor een andere manier van kijken naar het probleem (reframing).
Renzo Martens stelde met Enjoy Poverty voor om armoede in Congo te zien als het meest waardevolle exportproduct van het land. Jan Konings en Sabrina Lindemann lieten leegstand in de Haagse wijk Transvaal opnieuw functioneren als Hotel Transvaal en ondergetekende maakte van een probleemwijk in Gouda een filmgebied en deed er opnames voor een real life soap op tv: No Show Gouda.

Specifiek repertoire
Wat zouden redenen kunnen zijn waarom maatschappelijke organisaties met kunstenaars willen werken, anders dan dat ze – jawel –  out of the box kunnen denken? Kunstenaars beschikken over een specifiek repertoire dat waardevol is in de benadering van taaie problemen.
Een eerste kwaliteit is dat de kunstenaar nadrukkelijk buitenstaander is (van wie bovendien iets onverwachts wordt verwacht). Dat biedt de mogelijkheid om agendaloos te werken en dus te doen ‘waar de situatie om vraagt’. Medewerkers van een organisatie hebben in de regel een agenda: er zijn in de organisatie doelstellingen die door de medewerker moeten worden nagestreefd.
Ten tweede bestaat er bij taaie problemen geen consensus over hoe het probleem opgelost moet worden. Juist dan kan het auteursgedreven, subjectieve voorstel van een kunstenaar voor een bepaalde aanpak een goed houvast bieden. De kunstenaar kan de enthousiaste aanjager van het voorstel zijn,  het ontwerp wordt gemaakt op basis van diens eigen fascinaties. Dit enthousiasme kan aanstekelijk werken en een wervend effect hebben op betrokkenen om deel te nemen aan het project.
Een derde belangrijke kwaliteit is dat kunstenaars voorstellen doen die scheppend van aard zijn, het zijn makers. Een typisch uitgangspunt van kunstenaars is: Show, don’t tell. Als kunstenaar zeg je niet dat het anders moet, je laat zien dat het anders kan. Mahatma Gandhi zei: “Be the change that you wish to see in the world.”
Door het door de kunstenaar gecreëerde nieuwe frame, ontstaat ruimte om in een gezamenlijk proces met betrokkenen de zaken anders te bekijken en aan te pakken dan je altijd al deed. En ook de ruimte waarin iets anders kan gebeuren dan je kunt voorzien. De expertise van de betrokkenen rond een vraagstuk wordt benut en er wordt draagvlak voor de uitkomsten gegenereerd. Daarmee worden drie kenmerkende aspecten van taaie problemen ondervangen: gebrek aan kennis, gebrek aan consensus en gebrek aan eigenaarschap.
Het ruimte laten voor het onvoorziene en vooraf geen afspraken kunnen maken over de resultaten zijn ongebruikelijke zaken voor organisaties. Datzelfde geldt voor ruimte laten voor de autonomie van de kunstenaar.

Autonomie
Voorwaarde voor een waardevol artistiek proces – en daarmee voor goede kunst – is dat de kunstenaar vanuit een autonome positie kan werken. Vanuit die optiek lijkt er een risico verbonden aan de samenwerking met een organisatie: de autonomie van de kunstenaar komt in het gedrang als hij of zij zich moet verhouden tot de agenda van organisaties en andere stakeholders.
Misschien is het tijd voor een andere notie van de autonomie van kunst en kunstenaar. Dit in een poging om de mogelijkheid te creëren voor een artistieke praktijk die ook buiten de kunstsector betekenisvol kan zijn: Autonomie is een staat die de kunstenaar zich kan verwerven binnen een gegeven context. Het is dus geen a priori toestand die beschermd moet worden.


Klaas Kuitenbrouwer is programma coordinator bij Het Nieuwe Instituut en docent aan de Gerrit Rietveld Academie. Samen met André Schaminée, organisatieadviseur bij Twynstra Gudde, vormen Klaas en Tabo het projectteam van SOCIALDESIGNFORWICKEDPROBLEMS.

Tabo Goudswaard is kunstenaar/social designer. Samen met drie consultants vormt hij de kern van de afdeling van organisatieadviesbureau Twynstra Gudde waar de kennis en kunde van (social) designers en beeldend kunstenaars gecombineerd worden met inhoudelijke kennis van het vraagstuk en organisatieverandering.

In bovenstaande tekst zijn fragmenten overgenomen uit de publicatie SOCIALDESIGNFORWICKEDPROBLEMS (SDFWP) Een publiek onderzoeksproject naar de inzet van kunstenaars en ontwerpers bij taaie maatschappelijke problemen van Het Nieuwe Instituut, Tabo Goudswaard, Twynstra Gudde en Stichting DOEN. De publicatie is gratis online beschikbaar in zowel het Nederlands als Engels.