WW#15 Als starter in de stagecarrousel

De benarde economische positie van de kunstenaar kan recentelijk op steeds meer belangstelling rekenen. Deze situatie is urgent en klimt op de agenda, maar blijkt lastig in kaart te brengen doordat het doorzettingsvermogen en de gedrevenheid van de kunstenaar de kern van het probleem systematisch maskeert. Niettemin wordt de situatie steeds beter belicht. Maaike Lauwaert bracht voor Rekto:Verso de precariteit van het kunstenaarsbestaan in beeld.i Functieorganisatie Beeldende Kunst Nederland (BKNL) voerde een onderzoek uit naar de kunstenaarshonoraria en presenteerde de resultaten afgelopen november.ii

Maar niet alleen de kunstenaar bevindt zich in zwaar weer. Als we onze blik verruimen naar het gehele kunstenveld, zien we dat het er ook voor startende bemiddelaars niet rooskleurig uitziet. Het zal voor niemand een verrassing zijn dat pas-afgestudeerde kunsthistorici niet op een hoog inkomen kunnen rekenen. Anderhalf jaar na afstuderen is hun gemiddelde bruto-inkomen €1625,-. Dit ligt €1000,- lager dan het gemiddelde bruto-inkomen van honderd andere studierichtingen op hbo- en wo-niveau.iii Maar het is niet in de eerste plaats het lage inkomen dat de situatie van starters zo lastig maakt. Het überhaupt krijgen van betaald werk (in dienstverband maar ook als zelfstandige) binnen de sector is voor hen de grootste uitdaging.

“Het überhaupt krijgen van betaald werk (in dienstverband maar ook als zelfstandige) binnen de sector is voor hen de grootste uitdaging.”

Het beeld van de starter die na zijn studie on(der)betaald werk verricht om werkervaring op te doen is inmiddels gemeengoed geworden. Door een schaarste aan betaalde vacatures waar 1-3 jaar werkervaring voor gevraagd wordt, heeft de starter vaak geen andere keus dan in ruil voor cv-building als stagiair of vrijwilliger aan de slag te gaan. Bovendien is binnen musea te zien dat arbeidsplaatsen in toenemende mate worden omgevormd tot vrijwilligersfuncties.iv Vrijwilligers vervullen zodoende niet een boventallige functie, maar verrichten werk dat voorheen werd uitgevoerd door betaalde krachten.

De starter is gretig en gemotiveerd zichzelf te ontwikkelen, maar heeft werkervaring nodig om te mogen werken. Bij wijze van laatste reddingsboei neemt hij een stage of werkervaringsplek aan, en kiest daarmee voor stelselmatige onzekerheid en onderbetaling. Menig instelling overleeft zelf van een summier budget en voelt de verleiding en/of dwang om van de grote stroom goedkope en enthousiaste fris afgestudeerden gebruik te maken. Ziezo, de starter en de instelling vervullen perfect elkaars behoeften waardoor de sector zichzelf in een patstelling plaatst. Deze situatie leidt bij veel starters tot misnoegen, die volop tot uiting komt op social media en in kritische doch luchthartige columns of blogs – waarin het gekscherend de ‘nul-euro-werktrend’ genoemd wordt – of waar verslag wordt gedaan van de wanhopige zoektocht in het landschap van onbezoldigde vacatures.v Ook op andere manieren wordt gereageerd op bezwaarlijke vacatures.vi Zo bood het Rijksmuseum bijvoorbeeld vorig jaar een vrijwilligersvacature aan op de afdeling Publiek en Educatie voor 8 tot 36 uur per week, dat was voorheen een betaalde functie. Dit leidde tot stevige en kritische reacties in Het Parool. Teun van de Keuken uitte in De Volkskrant zijn verbazing over een veeleisende stageplek bij Pakhuis de Zwijger, dat in alle opzichten leek op een volwaardige baan. Tevens is Van de Keuken op dit moment bezig met een onderzoek voor KRO-NCRV naar uitbuiting van starters en stagiairs.vii viii FNV Jong richtte afgelopen zomer een Meldpunt Stagemisbruik op, en in Felix in de Steigers werd onlangs een discussieavond ‘Het Twintigersdilemma: Starter of Stagiair’ georganiseerd.ix

Kortom, de starter staat in de belangstelling en zijn lastige positie wordt in toenemende mate onderkend. Hoewel bovenstaande geluiden waardevol en duidelijke signalen zijn, is er in de culturele sector nog veel onduidelijk, en is georganiseerd verzet tegen de situatie afwezig. ‘Zo is het altijd geweest’ of ‘Dit probleem was er twintig jaar geleden ook’ is vaak de reactie als het onderwerp ter sprake komt. Het zou inherent zijn aan de sector: het hoort er nu eenmaal bij. Zijn we als kunstsector onverschillig geworden, murw geslagen? Zijn er inderdaad geen mogelijkheden om ons ertegen te verzetten?

How many roads must a man walk down before you call him a man?

Afgelopen jaar besteedde tijdschrift Museumvisie aandacht aan het hoge verloop van werknemers in musea in het artikel Externen inhuren. Zzp’ers: verruimd aanbod voor krappe cultuurmarkt? Pieter Roth verwoordt hierin de situatie scherp: ‘Waar mankracht nodig is, worden stageplaatsen (slavenplaatsen) met onmenselijke arbeidsvoorwaarden en hoge eisen gecreëerd. Daarmee verdring je echte arbeidsplaatsen. Voor mensen met echt inhoudelijke kennis is het steeds moeilijker deze kennis in te zetten waar dat nodig is. Nare kortlopende projecten zijn nu de standaard. Zelden hoor ik vanuit de museumwereld stevige kritiek op deze ontwikkelingen, laat staan in georganiseerde vorm.’x Terecht beredeneert Roth dat het faciliteren van on(der)betaalde functies vanuit het perspectief van de instellingen eigenlijk niet wenselijk zou moeten zijn. Veel (kleine) instellingen dreigen een stagecarrousel te worden waarin de stagiairs elkaar continu opvolgen.

De werkelijkheid is echter complexer dan Roths uitspraak suggereert. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk als we kijken naar het recent verschenen artikel Vrijwilliger in de culturele sector in opmars van Dmitri Lahaut waarin hij de tendens van het groeiende aantal vrijwilligers in musea, en hun aantal gewerkte uren beschrijft.xi Lahaut stelt vast dat sinds 2005 het aantal werkzame vrijwilligers bij musea met 58% is gestegen: ‘Deze relatieve stijging van het aantal werkzame vrijwilligers is groter dan de stijging van het aantal werknemers op de loonlijst (27%). Dit geldt des te meer als gekeken wordt naar de inzet van vrijwilligers uitgedrukt in fte. […] Het aantal fte van vrijwilligers bij musea is gestegen met maar liefst 82%, terwijl de fte’s van werknemers op de loonlijst is gestegen met slechts 13%.’xii Lahaut stelt dat hij onvoldoende inzicht heeft in de gegevens om aan te kunnen tonen of de toename van vrijwilligers tot arbeidsverdringing op de arbeidsmarkt leidt, wel wordt duidelijk dat voor vrijwilligers een steeds grotere rol is weggelegd in de culturele sector.

De stijging van vrijwilligers hangt samen met de forse bezuinigingen die de cultuursector door kabinet-Rutte I werden opgelegd. Toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra kortte de kunstsector destijds met 250 miljoen euro.xiii Instellingen werden ertoe gedwongen het roer compleet om te gooien, of te moeten sluiten. Algemeen gevolg van de verminderde subsidie inkomsten is een voortschrijdende flexibilisering van de gelieerde arbeidsmarkt. In opdracht van Minister Bussemaker analyseert de De Raad voor Cultuur in samenwerking met de SER (Sociaal Economische Raad) deze veranderingen. In dit onderzoek wordt geen bijzondere nadruk op de positie van de starter gelegd -wel wordt de sector als geheel, en de gevolgen van de bezuinigingen voor de verhoudingen tussen het aantal vaste krachten, zzp’ers, vrijwilligers en stagiaires opnieuw bekeken.xiv

De toenemende flexibilisering is reeds in een eerder uitgevoerde knelpuntenanalyse van Sectorplan Cultuur bevestigd: ‘Er vindt een verschuiving plaats van loondienst naar 0-uren contracten en freelance werk. Voor specifieke projecten of producties worden zelfstandigen ingehuurd en er blijft een klein kernteam achter. Deze zelfstandigen zijn niet zelden oud-werknemers. Een deel van het banenverlies wordt dus omgezet in kortlopende opdrachten. Er is dan zoveel werk voor de oud-medewerkers als hun kortlopende opdracht groot is.’xv Deze verdergaande flexibilisering betekent dat het perspectief op een vaste baan voor iedereen op de arbeidsmarkt in de culturele sector verslechterd is. Wat deze ontwikkeling concreet voor de starter betekent is niet geheel duidelijk – maar het is niet ondenkbaar dat juist hij het zwaar heeft zonder ervaring of een voet tussen de deur van een organisatie. Het zijn echter niet alleen stages en werkervaringsplekken waarmee starters werkervaring proberen op te doen, ook proberen ze zichzelf te bedruipen door als zelfstandige losse opdrachten aan te nemen of eigen initiatieven op te zetten. Als gevolg van de bezuinigingen is het aantal zzp’ers de laatste jaren fors gegroeid, en daarmee ook de onderlinge concurrentie. Hoewel het een manier is om onafhankelijk te zijn, is het freelance bestaan niet altijd even zaligmakend. Sectorplan Cultuur constateert hierover: ‘De toename van zzp’ers resulteert in toenemende concurrentie om het schaarse werk. Dat leidt er weer toe dat ze steeds vaker tot zelfs fors onder hun integrale kostprijs werken. […] Daarnaast hebben ook zzp’ers last van het feit dat organisaties in de sector in toenemende mate gebruik maken van vrijwilligers.’xvi

Analyses en cijfers zijn verhelderend en noodzakelijk, maar kunnen het probleem ook gemakkelijk maskeren of verdraaien. De balans tussen betaalde en onbetaalde vacatures bijvoorbeeld, zou een goede indicator kunnen zijn van een verstoorde arbeidsmarkt. Maar deze aantallen zijn niet zonder meer eenduidig te interpreteren. In het eerder genoemde artikel in Museumvisie zegt Jaconelle Stas-Schuffel, eigenaar van de populaire vacaturebank Culturele-Vacatures.nl, te kunnen vaststellen dat op dit moment sprake is van een afname van stageplekken: ‘Wij zien binnen onze acht jaar bestaande website een positieve trend: meer [vaste] fulltime en parttime vaste banen en minder tijdelijk werk, werkervarings- en stageplaatsen.’ Ze vervolgt: ‘Op dit moment gedraagt de museale arbeidsmarkt zich normaal: we zien een gewoon percentage vrijwilligers- en stageplaatsen. De meeste vacatures betreffen vaste banen.’ De vraag die rijst is natuurlijk hoe gewoon deze ‘gewone’ verhoudingen zijn. Gaat het probleem inderdaad enkel om deze verhouding? Een afname betekent niet direct dat het probleem zich heeft opgelost. Belangrijkste gegeven dat onduidelijk blijft bij deze cijfers is door wie deze vrijwillige vacatures worden opgevuld. Bovendien wordt door de beschreven onderbezetting in instellingen met minder mensen hetzelfde werk uitgevoerd. Daardoor worden hooggekwalificeerde starters, vrijwilligers of stagiairs gevraagd, en worden tevens hoge eisen gesteld in de functies die zij moeten vervullen. De inhoud van de functies wordt steeds omvangrijker. Instellingen zijn door deze onderbezetting nauwelijks in staat om gedegen begeleiding te bieden aan de nieuwste en jongste werknemers. De starter levert daardoor in zowel op begeleiding, vergoeding als uiteindelijk ook doorgroeimogelijkheden. 

How many years can a mountain exist before it’s washed to the sea?

In het kunstenveld bestaan verschillende vormen van on- of onderbetaalde functies waar starters vaak op aangewezen zijn; ze worden stage-, werkervaringsplek, traineeship, of soms gewoon vrijwilligerswerk genoemd. De benamingen lijken arbitrair en de invulling van dergelijke werkverbanden leidt niet bij uitzondering tot verwarring. Moeten stages uitsluitend deel uitmaken van een onderwijscurriculum?xvii Moeten traineeships en werkervaringsplekken per definitie zo ingericht zijn dat het leidt tot een baan binnen de betreffende instelling? En moeten deze werkverbanden worden beloond met een minimum salaris?

Deze onduidelijkheden zijn niet uitsluitend voorbehouden aan de culturele sector – evengoed speelt het in de publieke sector en de zorg. Hierdoor is het ook op het niveau van de landelijke politiek intussen een agendapunt geworden. Paul Ulenbelt (SP) stelde in december 2013 Kamervragen aan Lodewijk Asscher (minister Sociale Zaken en Werkgelegenheid) over jongeren die stages lopen na het afronden van een opleiding. Zeer terecht vroeg Ulenbelt zich toen af of dit in overeenstemming is met wet- en regelgeving. Minister Asschers antwoord daarop luidde als volgt: ‘Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden zal dat beoordeeld moeten worden. Als sprake is van een stage, dan geldt geen beloningsvereiste. Als geen sprake is van een stage, is juridisch sprake van een arbeidsovereenkomst en heeft de betrokkene aanspraak op het wettelijk minimumloon.’xviii In Kamerstukken II 2013/14 wordt vervolgens uiteengezet dat stagelopen na een afgeronde studie wettelijk is toegestaan: ‘Wat betreft het oneigenlijk gebruik van de wetgeving omtrent stages heeft de regering niet gesteld dat een stage altijd onderdeel van een opleiding moet zijn. Wel is het zo, dat bij een stage het leeraspect centraal moet staan.’xix In een verzamelbrief aan de gemeenten werden in december 2013 vervolgens de kenmerkende criteria van een stage opgesteld die dienst moeten doen als leidraad, en waarvan de volgende het belangrijkste zijn:

– de begeleiding van de stagiair moet gericht zijn op het leeraspect en niet op het behalen van productie. Er is voorzien in evaluatiemomenten; 

de stagiair bezet een additionele plaats en neemt dus geen plaats in die normaliter door een werknemer wordt bezet; Van belang is dat de feitelijke situatie en de daadwerkelijk uitgevoerde taken bepalend zijn voor het oordeel of sprake is van een stage.xx

Ook de definitie van de werkervaringsplek is reeds in de Tweede Kamer ter discussie gesteld. Wat zou een werkervaringsplek moeten inhouden, en hoe verschilt deze enerzijds van een stage en anderzijds van een normale arbeidsplek? Minister Asscher reageerde hierop als volgt: ‘Als het gaat om werk of werkervaring, zonder dat het leeraspect centraal staat, is juridisch gezien sprake van een arbeidsovereenkomst en heeft betrokkene recht op het wettelijk minimumloon.’xxi

Zeer recent werd wederom een Kamervraag ingediend betreffende werkervaringsplekken en stages. Het onderscheid tussen deze twee lijkt losgelaten, en het onderliggende probleem van uitbuiting van de starter staat nu centraal.xxii De Kamervragen zijn een duidelijk signaal van een breed aanwezig probleem, maar bespreken de problematiek op een abstract niveau – dat ver af staat van de praktijk. Wel is het een positieve ontwikkeling dat de definitiediscussie, alsmede het fragmentarisch aanpakken van de gelieerde problematiek in toenemende mate wordt ingewisseld voor een focus op de structurele misstanden en uitbuiting rondom het vraagstuk aangaande de klem zittende starter; en minder op het verschil tussen stage- en werkplek. Ondanks dat er nuanceverschillen aan te wijzen zijn, leert de ervaring namelijk dat de verschillende dienstverbanden uiteindelijk vaak op hetzelfde neerkomen. Het zijn functies die worden aangeboden als ‘mooie opstapjes’ of ‘een voet tussen de deur’. In werkelijkheid gaat het vaak om dienstverbanden waarin goedkope arbeidskrachten werk uitvoeren dat veel weg heeft van wat een echte baan zou kunnen worden genoemd. De uitbuiting van starters, ongeacht de vorm waarin het gebeurt, strekt verder dan het individu, en is symptomatisch voor een ongezonde arbeidsmarkt. Uiteindelijk treft het iedereen.

How many ears can one man have before he can hear people cry?

Het is precies het bewustzijn van dit gegeven dat een wezenlijke verandering teweeg zou kunnen brengen. Hoewel starters er over het algemeen niet goed voor staan, moeten de positieve ontwikkelingen binnen de sector, hoe klein ook, niet uit het oog worden verloren. Deze kunnen dienen als leidend voorbeeld voor manieren waarop verandering van binnenuit kan worden bewerkstelligd. Sommige instellingen beseffen dat het begeleiden van een starter – ongeacht het werkverband waarin hij werkt – tijd vergt en gaan daar ook zo zorgvuldig mogelijk mee om; zij begrijpen dat de starter van nu de toekomst van de sector is.

Op verschillende manieren wordt geprobeerd de starter tegemoet te komen om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Universiteiten spelen in op de noodzaak aan werkervaring op de arbeidsmarkt door het als verplicht onderdeel te incorporeren in de studie. Stage lopen tijdens de studie, zonder dat het onderdeel uitmaakt van het vaste curriculum, wordt ook in toenemende mate aangemoedigd. Tijdens stages en werkperiodes wordt immers de basis van het latere netwerk gelegd. Bovendien zijn er steeds meer loopbaantrainingen, alumni-communities en cursussen voor het vermarkten van jezelf. Vanuit universiteiten en andere organisaties is er dus wel aandacht voor de aansluiting van de opleiding en de arbeidsmarkt – of dit structureel en passend genoeg is, is echter de vraag.

Door fondsen en stichtingen wordt ook geld beschikbaar gesteld om starters een kans te bieden. Zo heeft het Prins Bernardcultuur Fonds in 2013 het Conservatoren Stipendium opgericht. Hierbij wordt een zittende conservator tijdelijk vrijgesteld van zijn werkzaamheden die dan worden overgenomen door een pas-afgestudeerde. Ook het Mondriaan Fonds verstrekt subsidies aan jonge bemiddelaars met 1 à 2 jaar werkervaring. Bij de toekenning van regelingen voor instellingen hanteert het Mondriaan Fonds geen speciale criteria op het personeelsbeleid of arbeidsvoorwaarden van de aanvragende instelling. Joost Vrieler (coördinator meerjarige bijdragen) licht toe: ‘De ruimte die sommige instellingen geven aan jong talent, of dit nu artistiek, schrijvend of organiserend talent is, kan in sommige gevallen wel positief meewegen in een beoordeling.’xxiii

Als land is Groot-Brittannië een lichtend voorbeeld hoe om te gaan met de problematiek van precaire arbeid. Naast dat Groot-Brittannië duidelijke wetten heeft over wie wel en niet minimumloon hoort te ontvangen en er door het Arts Council England een heldere richtlijn is opgesteld voor hoe een ‘internship’ hoort te verlopen, wordt ook vanuit de kunstgemeenschap actie gevoerd.  Vooral in Londen is een uitgebreid netwerk van groeperingen die protesteren en bewustzijn proberen te creëren over de huidige situatie.xxiv xxv Het Carrotworkers Collective, in 2009 opgezet door (ex-)stagiairs en werknemers uit de culturele en creatieve sector, deed drie jaar onderzoek naar vrijwillig werk, stages en arbeidsbemiddeling. Ze publiceerden vervolgens een alternatieve ‘stage-gids’ waarin het groeiende fenomeen van on(der)betaalde arbeid kritisch wordt belicht. Een ander initiatief, The Future Interns, pakt (soms in samenwerking met Carrotworkers Collective) instellingen aan die onredelijke vacatures uitzetten en met schimmige constructies onder het betalen van loon uit proberen te komen. Ze voerden actie tegen de onbetaalde stages bij onder andere Serpentine Gallery, The Barbican en Calvert 22. Het heeft effect: Serpentine biedt sinds 2013 eindelijk betaalde stageplekken aan. Naast actievoeren proberen zij gericht bewustzijn te creëren bij zowel werknemer als -gever, door samen na te denken over mogelijkheden om het systeem te veranderen en over wat alternatieven zouden zijn voor de stageplek en bijbehorende cultuur van gratis arbeid.

Het pas opgerichte platform Alter Opus is in Nederland op kleine schaal op een vergelijkbare manier bezig. Hun doelstellingen richten zich echter niet specifiek op de kunstsector maar op de gehele arbeidsmarkt. Alter Opus ‘denkt dat de huidige denkwijzen over werk en werkloosheid aan verandering toe zijn […] Afgestudeerden die vast zitten in de zoveelste onbetaalde stage. Mensen in de bijstand die dolgraag willen werken. Mensen die 80 uur per week werken, op weg naar hun volgende burn-out. We weten dat het anders moet.’xxvi In het artikel ‘De waarde van werkervaring’ uit 2014 wordt het potentieel van de starter door Martijn Simons (een van de oprichters van Alter Opus) en filosoof Marleen Moors centraal gesteld. Volgens hen zou de starter niet gezien moeten worden als een werknemer die een bedrijf geld en tijd kost, maar iemand die ‘kan leiden tot onverwachte vragen, nieuwe ideeën, leerzame wrijvingen en unieke leermomenten die in samenwerking tot stand komen.’ Ze noemen dit sociale innovatie. Momenteel is de arbeidsmarkt ingericht zodat werkgevers vooral de waarde inzien van het type bijdrage dat ze al kennen. Simons en Moors zien dit als een probleem, aangezien kennisontwikkeling volgens hen plaatsvindt ‘doordat je met iets geconfronteerd wordt dat je nog niet kent. Je leert niet van het bekende maar van het onbekende en daar mag best een beloning tegenover staan.’xxvii Een initiatief dat hieraan gelieerd is, is KickstartYourSocialImpact. Deze organisatie probeert de starter in waardevolle en vernieuwende trajecten te koppelen aan bedrijven. Culturele-Vacatures.nl is samen met KickstartYourOwnImpact de mogelijkheden aan het verkennen voor soortgelijke projecten binnen de culturele sector. Een initiatief als dit zal waarschijnlijk niet meer werkplekken opleveren, maar kan wel bijdragen aan een andere manier van denken. 

The answer my friend is blowin’ in the wind

Het probleem toont zich complex, en oplossingen liggen niet direct voor de hand. Ook zijn de gevolgen nog niet in kaart gebracht – hoewel verlies van continuïteit binnen instellingen een gegeven is en er dikwijls wordt gespeculeerd over verlies aan kennis. Het is daarom noodzakelijk in kaart te brengen wat de huidige situatie betekent voor de kwaliteit van het cultuurlandschap in de breedste zin. Laten we als beeldende kunst sector, die op verschillende manieren een voortrekkersrol in de samenleving vervult, op een innovatieve manier met dit probleem omgaan. Laten we het ontembaar enthousiasme en toewijding, waar de sector om bekend staat, niet alleen gebruiken om ons hoofd boven water te houden, maar ook om te kijken of wij gezamenlijk en georganiseerd alternatieve modellen kunnen ontwikkelen om een gezond werk- en kunstklimaat tot stand te brengen. Verandering moet niet alleen op beleidsniveau plaatsvinden maar ook van binnenuit worden ingezet, met als vertrekpunt de werkvloer. Gezamenlijke actie door eensgezinden uit het werkveld – zoals op kleine schaal nu al gebeurt waardoor er bewustzijn gecreëerd wordt – én de verspreiding van een nieuwe manier van denken zoals Alter Opus en Platform BK die voorstaan, zouden een belangrijke impuls kunnen opleveren. Een oplossing voor het vraagstuk vergt van iedereen een andere manier van denken: een denken in mogelijkheden in plaats van beperkingen.

iv ‘Vrijwilliger in de culturele sector in opmars’ van Dmitri Lahaut, Boekmanstichting (2015)

x Museumvisie #2 2015 p33.

xi Dmitri Lahaut, ‘Vrijwilliger in de culturele sector in opmars’ in: Boekman 103. Wie geeft er aan cultuur?

xii ibidem

xv Sectorplan Cultuur is een samenwerking tussen Werkgevers-, werknemersorganisaties en sociale fondsen in de cultuursector zoals FNV Kiem, Cultuur-Ondernemen en Federatie Cultuur http://www.sectorplancultuur.nl/wp-content/uploads/2014/04/C.Sectorale-analyse-1.pdf

xx Verzamelbrief gemeenten 2013, 19 december 2013 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2013/12/19/verzamelbrief-gemeentendecember-2013 Overige criteria zijn: ‘- er is sprake van een schriftelijke stage overeenkomst met begin- en einddatum; – er is een duidelijk leerplan waarin de beoogde leerdoelen concreet benoemd zijn; ‘- inzichtelijk kan worden gemaakt of en hoe de leerdoelen zijn of worden bereikt;

xxii http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2015Z21103&did=2015 D43022 Op het moment dat dit artikel verschijnt heeft minister Asscher hier nog geen antwoord op gegeven

xxiii emailconversatie met Joost Vrieler

Illustratie: Yuri Veerman