Belangrijke Kunst

Het opinie-stuk van Sven Lütticken is oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd als “Other Criteria: Wendelien van Oldenborgh, Zachary Formwalt”. Het artikel is vertaald door Vincent van Velsen.

Op 3 april werd het boek Amateur1 van Wendelien van Oldenborgh gelanceerd in het Stedelijk Museum te Amsterdam, met een vertoning van haar films From Left to Night (2015), Bete & Deise (2012) en een Q&A met David Dibosa en de kunstenaar. Timing en locatie van deze lancering zijn op zijn minst opmerkelijk te noemen. Het huidige Stedelijk speelt een belangrijke rol in een poging om kunstenaarspraktijken als die van Van Oldenborgh te marginaliseren ten faveure van meer object-georiënteerde en verzamelaar-vriendelijke praktijken, zoals die van Magali Reus of Saskia Noor van Imhoff.

Hun werk is hedendaags neo-formalisme met hier en daar een halve hint op institutionele kritiek gepaard gaande met een generieke post-internet esthetiek: de perfecte cocktail voor exclusieve openingen. Ik wil hiermee niet suggereren dat verkoop aan verzamelaars iets fundamenteel afkeurenswaardig is, of dat het werk in kwestie het niet verdient te worden getoond, noch dat de werken verstoken zijn van enige kwaliteit. Maar welke kwaliteiten zijn dit precies; en op basis van welke criteria worden deze als kwaliteiten ervaren?

Met uitzondering van het Van Abbemuseum, is Wendelien van Oldenborgh afhankelijk geweest van kleinere instellingen voor hedendaagse kunst, zowel in binnen- als buitenland. Hoewel het Stedelijk nu een zogenaamd ‘gedeeld eigenaarschap’ bezit betreffende Maurits Script (2006) uit de collectie van het Van Abbemuseum, hebben zij de mogelijkheid aan zich voorbij laten gaan om Après la reprise, la prise (2009) aan te kopen via de Gemeentelijke Kunstaankopen (2012). Uiteindelijk verwierven zij alleen La Javanaise (2012), dat geproduceerd werd voor de Hollandaise-tentoonstelling (2012) in de semi-autonome projectruimte Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. SMBA is één van de bovengenoemde kleinere instellingen die Van Oldenborghs werk stelselmatig hebben ondersteund.

Het Stedelijk zal SMBA komende zomer voorgoed sluiten. Het museum heeft weliswaar aangekondigd dat SMBA zal worden vervangen door een vaag omschreven opvolger, maar deze zal de eenzijdig opgelegde Nieuwe Normaliteit naar alle waarschijnlijkheid nog extensiever uitdragen. Het is sterk de vraag of een recente SMBA-tentoonstelling als het briljante, door Vivian Ziherl gecureerde Bell Invites zou worden toegestaan in deze toekomstige ruimte, mocht die überhaupt ooit het licht zien. Het voorkomen van dit soort tentoonstellingen lijkt namelijk het doel van de sluiting. Ondertussen is De Appel—een ooit cruciale kunstruimte die onlangs op een spectaculaire manier is geïmplodeerd—gegijzeld door een rampzalig bestuur dat weigert af te treden, en goed op weg om de handlanger van het artistieke beleid van het Stedelijk te worden.

Redelijk recent verscheen ook een monografische publicatie van Zachary Formwalt, The Three Exchanges. Hoewel deze kunstenaar, net als Van Oldenborgh, zeker baat heeft bij de artistieke infrastructuur en financieringsmechanismen die Nederland (in inmiddels sterk afgeslankte vorm) nog steeds rijk is, heeft hij nooit een dergelijke institutionele steun of scène-wijde exposure ontvangen die nu wordt verleend aan een Reus of Van Imhoff. Ook in het geval van Formwalt gaf SMBA significante ondersteuning en promotie aan zijn praktijk – onder meer door het mede-uitgeverschap van zijn boek. Terwijl het EYE Film Museum momenteel siert met één van zijn oudere werken in een tenenkrommend overzicht van ‘jonge film- en videokunst uit Nederland’, zonder dat het museum zich ooit voor hem heeft geëngageerd, kunnen we slechts hopen dat minder disfunctionele instellingen hem –  en Van Oldenborgh, onder anderen – in de toekomst in staat zullen stellen waardevol werk te blijven maken.

Wanneer Stedelijk-directeur Beatrix Ruf verkondigt dat Magali Reus een belangrijke kunstenaar is en dat “alle belangrijke Nederlandse kunstenaars een tentoonstelling in het Stedelijk moeten krijgen” suggereert zij een zekere mate van consensus over wie geldt als een belangrijke Nederlandse kunstenaar, of als een belangrijke kunstenaar werkzaam in Nederland, of zelfs over wat heden ten dage als belangrijke kunst wordt gezien. In feite bestaat een dergelijke consensus niet. Als compensatie voor dit gebrek wordt een gezamenlijke inspanning gedaan om een hegemonische visie op kunst en cultuur te dicteren door middel van stelselmatige herhaling. In de resulterende Nieuwe Normaliteit zal voor iedereen duidelijk zijn wat goede kunst is, bij gebrek aan alternatieven.
Dit gaat verder dan het kiezen van kunstenaar X boven kunstenaar Y door het Stedelijk en zijn hegemoniale handlangers. Het raakt aan fundamentele kwesties betreffende de aard van de gewenste artistieke subjectiviteit, praktijk en samenwerkingsvormen. In het kader van haar pleidooi voor het “devalueren” van de gefinancialiseerde hedendaagse kunst stelde Andrea Phillips dat ‘het proces van het opleiden van kunstenaars in het streven naar vormen van autonome individualiteit – in procedures die hun kunstwerken onderscheidend maken van anderen – moet worden ontmanteld. Er bestaan vele belangrijke manieren waarop artistieke vaardigheden op verschillende wijze kunnen worden gebruikt in projecten die geen geïndividualiseerde waarde als vorm van kapitaalvermeerdering behoeven, maar tegelijkertijd moeten kunstenaars ook gewoon kunnen eten.’2

Of men het in alle opzichten met haar eens is of niet, onder de huidige omstandigheden is het moeilijk om dergelijk gesprek ook maar te beginnen. Want natuurlijk weten we allemaal dat het Stedelijk altijd alle Belangrijke Kunst zal laten zien.

Sven Lütticken

1 Amateur is de eerste grote monografie van Van Oldenborgh en werd gepubliceerd door Sternberg Press in samenwerking met If I Can’t Dance. Ik droeg een inleidend essay bij; er is ook een interview en veel kortere, maar substantiële stukken over afzonderlijke werken door een verschillende auteurs – waaronder Eric de Bruyn, Tom Holert, Denise Ferreira da Silva en Grant Watson.

2 origineel: “the process of educating artists to aspire to forms of autonomous individuality – in procedures that mark their artworks apart from others – would need to be dismantled. There are many important ways in which artistic skills can be used in different ways to develop projects that do not necessitate individualized value as a form of capital expansion, but at the same time artists need to be able to eat.” – http://parsejournal.com/article/devaluation/