WW#17 Cultuur is per definitie internationaal!

De motie van VVD-kamerlid Michiel van Veen, waardoor de Tweede Kamer besloot om ondersteuning aan cultuurprojecten in Egypte, Libanon, Mali, Marokko, Rusland, Turkije en de Palestijnse gebieden stop te zetten, is gestoeld op een drogreden, kortzichtig beleidsdenken, instrumentalisering van kunst en cultuur, en een mank wereldbeeld.

In zijn motie van 21 november 2016 verzoekt Van Veen de regering om cultuur stimulatie in de bovenstaande landen stop te zetten omdat het “niet bijdraagt aan het versterken van de Nederlandse cultuursector” en “dat belastinggeld sober doch effectief besteed moet worden”.
Er zal niemand zijn die tegen goede besteding van belastinggeld is. Echter, om dit als argument in te zetten om bezuinigingen op internationaal cultuurbeleid te bepleiten is een drogreden. Van Veens onjuiste logica is (naar alle waarschijnlijkheid) geïnformeerd door zijn mening dat culturele projecten in deze landen – hoe het budget ook gebruikt wordt – geen ondersteuning behoeven.

En inderdaad, in Van Veens andere uitlatingen geeft hij zijn waardeoordeel over deze culturele activiteiten duidelijk weer als hij spreekt over “geldverspilling in landen die niets om onze cultuur geven”. In plaats van internationale culturele projecten pleit Van Veen ervoor om het geld te besteden aan handelsmissies en staatsbezoeken van de koning, want dan “blijft het geld voor cultuur behouden, maar wel voor de Nederlandse cultuur”.

Handelsmissies of staatsbezoeken als culturele uitingen gelijkstellen aan dans, muziek, poëzie of beeldende kunst is een gotspe. De bedrijvigheid van handelsmissies is uiteraard wel als cultuur (als sfeer van menselijk handelen) te bestuderen door de sociale en gedragswetenschappen. Dit staat echter in geen verhouding tot kwalitatief hoogstaande culturele producten die uiting geven aan diepe menselijke emoties en waarden of een artistieke representatie van de werkelijkheid geven.

Dat Van Veen economische bedrijvigheid als cultuur uitspreidt over andere domeinen is een reflex uit het new public management: de logica van het marktdenken, met doelmatigheid en meetbaarheid voorop, toepassen op andere, publieke sectoren. Dit leidt tot een economisering waarbij de essentie van deze sector ontkracht wordt en zelfs verloren kan gaan. In het geval van cultuur heeft deze economisering een onderwaardering voor de kracht van menselijke expressie tot gevolg. Het getuigt van kortzichtig beleidsdenken om cultuur te beperken tot de sfeer van economie.

In dit licht kan Van Veens motie gezien worden als een directe reactie op Beleidskader internationaal cultuurbeleid voor de periode 2017-2020 uit mei 2016, door PvdA-bewindslieden Bert Koenders en Jet Bussemaker. Koenders en Bussemaker stellen hierin dat internationale uitwisseling in de wereld van kunst en cultuur onderdeel is geworden van een steeds verder globaliserende wereld. Ook geven ze aan dat internationale culturele samenwerking meerdere belangen dient, en niet alleen een economische. De intrinsieke en maatschappelijke waarde van kunst en cultuur is van groot belang voor het Nederlandse culturele klimaat om onder meer het artistieke niveau hoog te houden, aldus de ministers. Het onderkennen van deze waarden past niet in Van Veens denken.

Het is deze beperkte, mono-economische visie op cultuur die aansluit bij een andere aanname door van Veen die niet op waarheid berust, namelijk dat de ondersteuning van cultuurprojecten in bovenstaande landen niet tot het versterken van de Nederlandse cultuur kan leiden. Er zijn honderden voorbeelden van kunst- en cultuurprojecten die het Nederlandse cultuurlandschap versterken en hun waarde krijgen door internationale samenwerking buiten de Nederlandse grenzen. Een sterk voorbeeld van een project door een Nederlandse beeldend kunstenaar in een van de focuslanden is verwoest huis in Gaza door Marjan Teeuwen. Door sculpturale interventies met puin in gebombardeerde huizen heeft Teeuwen monumenten van kortstondige hoop in een uitzichtloze situatie gecreëerd. De waardevolle betekenis van haar werk in Gaza is anders dan en kan niet met aangepaste huizen in Nederland, omdat zij hier niet met door Israël gebombardeerde huizen kan werken. De artistieke praktijk van deze Nederlandse kunstenaar krijgt de impact die het heeft door internationale samenwerking.

Naast de ontwikkeling van individuele artistieke praktijken is een andere belangrijke bijdrage van het internationale cultuurbeleid de bescherming van werelderfgoed, dat ook voor Nederland van grote betekenis is. Het Cultural Emergency Response Program van het Prins Claus Fonds heeft onder andere, door ondersteuning van de ministeries, in 2012 eeuwenoude manuscripten uit Timboektoe weten te halen voordat deze stad in het noorden van Mali in handen viel van rebellen. Ahmad al-Faqi al-Mahdi, de rebellenleider die de opdracht had gegeven om negen mausoleums en een moskee te verwoesten, is in september 2016 door het Internationaal Strafhof in Den Haag veroordeeld voor oorlogsmisdaden. Dit voorbeeld laat zien dat de internationale gemeenschap vindt dat ook cultureel werelderfgoed door blauwhelmen beschermd dient te worden. Dat het Internationaal Strafhof in Den Haag zetelt, brengt ook de morele verplichting met zich mee om werelderfgoed onder bedreiging van terreur te beschermen.

Van Veen wil echter de intrinsieke waarde voor de internationale gemeenschap van dit soort cultuurprojecten, waar menselijke vrijheden in het geding zijn, niet zien. Hij stelt voor, met de VVD-fractie, cultuur enkel als diplomatiek instrument bij staatsbezoeken en handelsmissies te gebruiken. Kunst en cultuur reduceren tot een zijprogramma van staats- en handel bezoeken is een farce. De twee voorbeelden laten zien dat juist kunst en cultuur het krachtigst zijn als ‘stille diplomatie’. Als de VVD-fractie werkelijk in deze kracht van cultuur zou geloven, moet ze cultuurprojecten de vrijheid geven om de mensenrechten en culturele waarden, welke Nederland hoog houdt, internationaal te promoten. Juist in de focuslanden waar vrijheden met voeten worden getreden, is deze diplomatie uitermate belangrijk, ook voor Nederland en de Nederlandse cultuur.

Deze waardevolle cultuurprojecten die tot stand zijn gekomen door internationale samenwerking niet als onderdeel van de Nederlandse cultuur willen zien, is een bewuste uitsluiting. Dit toont de conservatieve en nationalistische inslag van Van Veens motie. Hiermee kan gesteld worden dat achter de motie een mank wereldbeeld schuilt, waarin internationale economische vrijhandel wordt gestimuleerd en internationale culturele uitwisseling en internationale veiligheid worden gedwarsboomd. Dat cultuurprojecten in de focuslanden zullen stoppen is bedroevend. Het is echter zorgwekkender dat dit manke wereldbeeld wordt gebezigd in Nederlands grootste politieke partij, aangezien het geen recht kan doen aan de diversiteit in de geschiedenis en de huidige verscheidenheid van de Nederlandse cultuur.