Verslag van het debat Wie profiteert er van de non-profit kunstinstellingen door Suzanne Wallinga, Curator Intersections Art Rotterdam & mede-oprichter en directeur A Tale of a Tub

Sinds 2015 presenteert Art Rotterdam tijdens de beurs Intersections: een platform voor non-profit kunstinstellingen. In ruil voor een deelname fee van duizend euro krijgen presentatie-instellingen en kunstinitiatieven de mogelijkheid presentaties te maken in de voormalige werkplaatsen van de Van Nellefabriek. Hierdoor kunnen zij tijdens de beurs een groot en geïnteresseerd publiek kennis laten maken met hun activiteiten. De deelname van non-profits aan een commerciële beurs roept soms ook vragen op. Platform BK bracht deze en andere vragen over de verhouding tussen for-profit en non-profit ter sprake in het debat: Wie profiteert er van de non-profit kunstinstellingen?

Non-profits zijn vaak kleine organisaties die functioneren als testing ground voor nieuwe presentaties en ideeën, maar ook als springplank voor kunstenaars naar de commerciële kunstwereld of grotere instituten. Aan de basis van een non-profit kunstinstelling ligt over het algemeen de overtuiging dat er te weinig ruimte is voor alternatieve modellen voor de productie van nieuw werk door kunstenaars. Hoewel er veel overeenkomsten zijn tussen de missies van de verschillende organisaties (‘ruimte bieden voor experiment’ en ‘een kritisch geluid’ springen het meest in het oog), zijn er grote verschillen in presentatie en bedrijfsvoering. Ondanks deze diversiteit is de tendens dat non-profits zich steeds bedrijfsmatiger gaan organiseren. Daarnaast lijken commerciële instellingen in toenemende mate het experimentele karakter van non-profts te adapteren. Platform BK stelt terecht de vraag of de maatschappelijke of artistieke doelstellingen van de initiatieven onder druk komen te staan als het onderscheid tussen non-profit en for-profit diffuser wordt.

Met betrekking tot Intersections werd tijdens het debat meer specifiek de vraag gesteld of commerciële partijen mogen profiteren van de financiële – of tijdsinvesteringen die non-profit kunstinitiatieven doen in kunstenaars, projecten of campagnes. Is het wenselijk om een tegenpresentatie te verlangen voor de meerwaarde die non-profit instellingen aan kunstbeurzen geven, door ze bijvoorbeeld van randprogrammering te voorzien? Met Intersections versterkt Art Rotterdam immers haar positie als beurs waar voornamelijk werk van jonge, opkomende kunstenaars te zien en te koop is, en waar het publiek nieuwe tendensen in de hedendaagse beeldende kunst kan ontdekken. Ook Prospects & Concepts, een overzichtstentoonstelling met jong talent van het Mondriaan Fonds, draagt bij aan dit profiel.

Voor Intersections worden na een open call ongeveer twintig kunstenaarsinitiatieven en andere non-profits geselecteerd voor uiteindelijke deelname. Hun financiële bijdrage dekt slechts de huur van de ruimtes van de Van Nellefabriek tijdens de beursweek. Art Rotterdam investeert in de organisatie en communicatie rondom Intersections en zorgt daarnaast voor het verwarmen van de ijzige ruimtes. Het staat de non-profits vrij om werk te verkopen tijdens Intersections. Hierbij hoeft geen percentage te worden afgestaan aan de beurs, maar aangezien er voornamelijk experimenteel werk wordt getoond, gebeurt dit op zeer beperkte schaal.

Voor de deelnemers aan Intersections is de exposure een belangrijke reden om mee te doen: in vijf dagen worden vaak meer bezoekers bereikt dan de organisaties op de eigen locatie zelf in een jaar kunnen ontvangen en de pers schrijft gretig over de vele performances en installaties. Tijdens de afgelopen editie trok Art Rotterdam 26.500 bezoekers, waarvan ongeveer 15.000 ook een bezoek brachten aan Intersections.

Wat het debat rondom het in elkaar overlopen van belangen ingewikkeld maakt, is dat non-profits ook het behalen van financiële winst na kunnen streven, om deze vervolgens te stoppen in experimentele programmering en de productie van (moeilijk verkoopbare) autonome kunst. Non-profits verkopen steeds vaker edities, houden benefietdiners, maken gebruik van marketeers, doen aan branding en worden gesponsord. Daarnaast zien we dat een groeiend aantal commerciële galeries gecureerde tentoonstellingen organiseert die niet direct gericht zijn op de verkoop. Deze presentaties bieden bijvoorbeeld meer context rondom het programma van de galerie, of de mogelijkheid om meer experimenteel werk van opkomende of ‘vergeten’ kunstenaars te tonen. Er zijn ook galeries die naast hun commerciële activiteiten een projectruimte openen, gezamenlijke presentaties maken of kunstenaars ‘uitwisselen’, of kunstenaarsresidenties starten. Sommige galeries nemen de houding van non-profit uiteindelijk zelfs helemaal over en veranderen hun zakelijk model van commercieel naar niet-commercieel.

Volgens kunstenaar, socioloog en econoom Hans Abbing is er ongeveer vanaf de jaren tachtig duidelijk sprake van een re-commercialisering van de kunst, waarbij tegelijkertijd “nieuwe critici” commercie nog scherper afwijzen dan voorheen. Critici vrezen dat met het omarmen van commercie de kunst zal worden geregeerd door de oncontroleerbare markt met als consequentie dat er minder diversiteit zal zijn, dat het publiek wordt gemanipuleerd en dat kunst steeds meer in een precaire positie zal worden gebracht. De afwijzing van commercie komt voort uit de overtuiging dat kunstenaars autonoom dienen te handelen en zich niet moeten laten verleiden tot compromissen. Er is enorme weerstand tegen commercie en het nastreven van financiële winst binnen de kunstwereld, en een groots wantrouwen richting de neoliberale marktwerking. Voor velen staat commercieel gelijk aan minder oprecht dan niet-commercieel. Kunstenaars zouden zich teveel op de wensen van het publiek kunnen richten en hun werk daaraan aanpassen om te behagen.

Alleen ‘serieuze’ kunst zou een kritische blik op het kapitalisme kunnen bieden en maatschappelijke verandering bevorderen. Door het omarmen van commercie zou dat verloren gaan, maar het is de vraag of dit werkelijk zo is. Veel kritiek gaat tevens voorbij aan het feit dat de commerciële opbrengst van kunst de productie van autonoom werk kan stimuleren en verduurzamen. De markt heeft overigens sowieso effect op het maken van autonoom werk, vaak zonder dat kunstenaars daarvan bewust zijn. Veel van de kunst om ons heen zou er anders uit hebben gezien wanneer de vraag vanuit de markt zich op een andere manier had gevormd.1

Het staat buiten kijf dat er vanuit de overheid sinds de vroege jaren tachtig steeds minder geld beschikbaar wordt gesteld voor het in stand houden van publieke instellingen voor hedendaagse beeldende kunst en andere vormen van cultuur. Vooral in de afgelopen twee kabinetsperiodes heeft een schrikbarend aantal non-profit organisaties de deuren moeten sluiten. Hoe kan de kwetsbare situatie van deze plekken worden versterkt?

Voor een duurzame bedrijfsvoering van een non-profit instelling is het naar mijn idee tegenwoordig van belang om met een goede mix van zowel private als publieke inkomsten te werken. Private financiering gaf A Tale of a Tub, de projectruimte die ik sinds 2014 samen met Nathanja van Dijk en Carolyn H Drake in Rotterdam run, de mogelijkheid om meer het experiment aan te gaan. Voor het verkrijgen van publiek geld in de vorm van culturele subsidies is het noodzakelijk om een track record van projecten te kunnen tonen, iets wat wij destijds niet konden doen. Daarnaast moet vaak ver vooruit worden geprogrammeerd, terwijl wij in een beginnende fase waren en vooral veel wilden uitproberen binnen ons programma. Private financiering bood kans om op zeer korte termijn een nieuwe organisatie te starten. Hierbij was het opvallend dat een groot deel van deze financiering vooral uit het buitenland kwam: buitenlandse galeries en verzamelaars toonden zich bereidwilliger om bij te dragen dan Nederlandse – enkele uitzonderingen daargelaten.

Noem me naïef, maar in plaats van ons te richten op de vraag of we commercie moeten afwijzen om de positie van autonome kunst te waarborgen, lijkt het mij veel interessanter om te spreken over de gemeenschappelijke waarden waar non-profits voor staan en te bekijken hoe we deze kunnen verdedigen, versterken en verduurzamen. Kunstenaar Reinaart Vanhoe stelde tijdens het eerder genoemde debat voor om de term non-profit achterwege te laten, omdat deze een negatie inhoudt. Interessanter is ook volgens hem de vraag waar je wel voor gaat. In mijn ideale wereld zouden we een platform als Intersections bij uitstek voor dit gesprek kunnen gebruiken.

Suzanne Wallinga, mei 2017
Curator Intersections Art Rotterdam & mede-oprichter en directeur A Tale of a Tub

 

Radiozender Ja Ja Ja Nee Nee Nee was erbij. Luister hier het debat Wie profiteert er van de non-profit kunstinstellingen terug: http://jajajaneeneenee.com/shows/wie-profiteert-er-van-de-non-profit-kunstinstellingen/