Verslag ‘Permanent atelierruimte gezocht’

Herontwikkeling #15: Atelierruimte gezocht from Pakhuis de Zwijger on Vimeo.

 

“Kunstenaars, curatoren, denkers en makers: kom en denk mee over de toekomst van de stad!” luidde de aankondiging voor het debat ‘Permanent atelierruimte gezocht. Naar een duurzaam atelierbeleid.’ dat Platform BK samen met de Kunstenbond en Pakhuis de Zwijger organiseerde. En óf ze kwamen. Op maandag 29 mei verzamelde een honderdtal mensen zich in de kleine zaal van Pakhuis de Zwijger. Ondanks de zomerse temperaturen waren er frisse ideeën, die Platform BK graag met u deelt.

De debatavond werd geleid door Felix Rottenberg, bij velen bekend als columnist, bestuurder en oud PvdA’er. Vanavond zat hij er echter met een andere pet: Rottenberg is voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad, die de gemeente na de zomer mag adviseren over het Amsterdamse cultuurbeleid. Vanuit zijn positie viel er deze avond zowel te leren als kritisch te bevragen. De initiatiefnemers Joram Kraaijeveld (Platform BK) en Peter van den Bunder (Kunstenbond) beten het spits af. “Waar moeten we het vanavond nou eens niet over hebben?” en “Wat is volgens jullie het beste beleidsinstrument?” begon Rottenberg. De antwoorden introduceerden de belangrijkste onderwerpen van deze zomeravond: er is geen gebrek aan ruimte maar een gebrek aan politieke wil, we moeten vooruit kijken, eigen regie voeren over de stad (bv. door aanpassing bestemmingsplannen), en cofinanciering door de gemeente kan een deeloplossing zijn. Het debat ging verder met vier sprekers die elk een statement presenteerden, gevolgd door reacties van referenten en uit het publiek.

Tatjana Macic: “Het is nu tijd om met innovatieve modellen te komen voor langdurige en betaalbare ateliers en werkruimtes.”
Als kunstenaar Tatjana Macic de vraag krijgt welke waarde kunstenaars aan de stad bijdragen, refereert ze altijd aan de website van de gemeente. Daar staat het duidelijk verwoord: “Amsterdam is een stad van kunst en cultuur. In de afgelopen decennia is door de collectieve ondersteuning van gemeente, rijksoverheid en private partners een groot en divers aanbod van activiteiten van culturele instellingen opgebouwd. Dit culturele aanbod is belangrijk voor de stad: voor bewoners, bezoekers, ondernemers en bedrijven.” [1] Amsterdam staat internationaal bekend om haar bruisende kunst en cultuur. Of kunstenaars van waarde zijn voor de stad, staat volgens Macic buiten kijf. De vraag die we elkaar eigenlijk moeten stellen, is hoe we ruimte kunnen scheppen voor de waarde van de kunstenaar voor de stad.

Die ruimte komt in het gedrang door wat Macic naar voorbeeld van filosofe Saskia Sassen het ‘roofkapitalisme’ noemt: een agressieve vorm van kapitalisme die druk uitoefent op alle aspecten van onze levens, ook op onze stedelijke omgeving, onze kunst en cultuur. Daarnaast wijst ze op de Woningwet 2015, waardoor corporaties onderscheid moeten maken in hun maatschappelijk en commercieel vastgoed. Het gevaar hiervan is dat bestaande ateliers op de tocht komen te staan en dat het ontwikkelen van nieuwe ateliers door corporaties onmogelijk is (tenzij gecombineerd met een woning). Ondertussen groeit de vraag naar betaalbare ateliers, maar het aanbod groeit niet mee. Met als gevolg dat we ook veel kunstenaars zien vertrekken naar andere steden of buitenland.

Hoe kunnen we hier verandering in brengen? Macic bepleit dat ateliers niet alleen gemonitord moeten worden, maar ook gewaarborgd en vernieuwd. Zij constateert dat beleidsterreinen soms in elkaar overlopen of botsen, zoals woonbeleid en kunstbeleid. We moeten deze beleidsterreinen op elkaar afstemmen om te komen tot een effectief en transparant atelierbeleid, dat ruimte biedt voor zowel dynamiek als zekerheid. Zij roept kunstenaars, gemeente, woningcorporaties, vastgoedeigenaren, planologen en visionaire denkers op de handen ineen te slaan.

Robert Marijnissen: “Als we zelf de toekomst willen vormgeven, dan moeten we daar nu mee beginnen.”
Met jarenlange ervaring als beleidsmaker voor de creatieve industrie in Amsterdam vertrok Robert Marijnissen naar Berlijn, om naar eigen zeggen “alleen nog maar te doen wat ik interessant en leuk vind”. Zijn interesse blijkt niet ver verschoven, want nog steeds binnen drie woorden te vatten: stad, cultuur en economie. De manier waarop hij ermee bezig is, is dat des te meer.

Volgens Marijnissen moeten we stoppen met het almaar uitvinden van een nieuwe visie. Als we zelf de toekomst willen vormgeven, dan moeten we daar nú mee beginnen. Precies daar zit ook het pijnpunt. In Amsterdam praten we veel en bedenken we van alles, maar echt activisme zit er sinds de jaren ‘70 en ‘80 niet (meer) in. In Berlijn is dat heel anders, en daar kunnen de Amsterdammers best van leren. Naar voorbeeld van de Berliner Holzmarkt geeft hij ons vier tips op een rij:

  1. Zorg voor integrale gebiedsontwikkeling op toplocaties met en door eindgebruikers (co creatie)
  2. Op basis van langdurige erfpacht of eigendom
  3. Investeer met niet-publieke gelden (in het geval van de Holzmarkt een pensioenfonds)
  4. Berliner mix is uitgangspunt voor duurzame exploitatie en stedelijk leven

Ineens klinkt een belangrijke vraag uit het publiek: “op welk moment is de politiek in Berlijn omgegaan?” Een belangrijke reden was volgens Marijnissen het succesvolle protest tegen de ontwikkelingsplanning van de Spreeufer, deze moest (deels) openbaar blijven en daar was nu een mooi plan voor, dat binnen het groot-kapitalistisch programma past. Een linkse overheid helpt ook mee, geeft hij toe. ‘A ha!’ schiet zachtjes door het publiek. Met de gemeenteraadsverkiezingen in het verschiet is het nog maar de vraag hoe links de overheid hier de komende jaren zal zijn, en aan dat activisme ontbreekt het volgens Marijnissen juist in Amsterdam. Werkt de Berlijnse aanpak hier dan wel?

Simon Franke: “Pleiten bij de gemeente heeft geen zin, je moet zelf vastgoed weten te verwerven”
Volgens Simon Franke zit de oplossing voor het atelierdilemma in zelforganisatie. “Kunstenaars zullen het niet meer cadeau krijgen, het klimaat is er niet naar.” Hij bedoelt hiermee twee verschillende dingen. Eén: kunstenaars zullen zich moeten verenigen, niet alleen met elkaar maar ook met andere groepen in de stad die in het gedrang komen. Tegenwoordig moet alles economisch rendement opleveren, maar sociaal-culturele functies worden daarbij vergeten. Het is zaak dat al deze groepen een coalitie vormen. Twee: we moeten niet alleen protesteren maar ook zelf initiatief nemen. Franke noemt voorbeelden zoals Transvaal en Soweto. Pleiten bij de gemeente om meer te geven heeft geen zin, je moet zelf vastgoed weten te verwerven. Dan kun je de mensen die erin zitten vragen om te investeren, zowel financieel als qua mankracht.

Alles wat tijdelijk is, wordt verdrongen door de marktwerking. Ook de wetgeving is niet meer sociaal. Door de Woningwet 2015 zitten de corporaties in het defensief, terwijl dit juist onze partners moeten zijn. Door het vastgoed zelf toe te eigenen voorkom je een tijdelijke karakter en kun je anders met een plek verbinden (en dus investeren). We denken nog teveel in bestaande besturen en moeten het heft zelf in de hand nemen, samen met alle andere groepen die in het gedrang komen.

Marc van Leent : “Het collectieve is een kansrijk initiatief voor de status quo”
Marc van Leent wordt ook wel ‘gangmaker in publiek vastgoed’ genoemd. Hij zit naar eigen zeggen met één been in het maatschappelijk-cultureel domein en met het ander in vastgoed. Er heerst veel ateliernood, stelt van Leent, onder starters maar ook onder mensen die op tijdelijke plekken zitten. Ook hij ziet een duurzame oplossing voor het atelierbeleid in het collectieve, ook wel commons genoemd.

Overheden komen en gaan, daar kun je niet langdurig op steunen. De mensen moeten het zelf doen. Er zijn voorbeelden genoeg, zegt van Leent. Hij noemt het laatste dorpscafé in het Brabantse Esbeek dat d.d. door de dorpsbewoners is opgekocht en wordt behouden. Een minder recent voorbeeld is het Amsterdamse Paleis voor de Volksvlijt, dat niet door overheid of kerk werd gefinancierd maar door aandelen van burgers.

Met behulp van twee grafieken toont Marc aan dat het collectieve geen onmogelijke droom is, maar een kansrijk alternatief voor de status quo. Er is genoeg (spaar)geld in Nederland, bovendien zijn er argumenten waarmee we de burger kunnen enthousiasmeren om in cultuur te investeren. De tweede statistiek (naar onderzoek van OCW) bewijst namelijk dat culturele instellingen écht waarde creëren: de woningwaarde stijgt naarmate er meer culturele instellingen in de buurt zijn. Investeren en beleggen gebeurt nu meestal via de bank, die je een vaag lijstje fondsen voorlegt om uit te kiezen, zegt van Leent. Waarom richten we niet het Algemeen Amsterdams Atelierfonds op?

Reacties uit publiek
Uit het publiek klinken gemengde geluiden. Zelforganisatie en activisme wordt toegejuicht, maar terecht wordt ook aangegeven dat het moeilijk is je beroepspraktijk draaiende en succesvol te houden als je daarnaast de barricades op moet. Zowel artistiek als financieel heeft het vergaande implicaties.

De voorzitter van de CAWA, Raymond Walravens sluit hierbij aan. “Zelforganisatie is goed. Betrokkenheid bij ontwikkelprojecten is ook goed, maar meestal gaat de winst naar projectontwikkelaars of corporaties. De kunstenaar doet het om niet. Kunstenaars moeten ervoor betaald worden, zodat ze in ieder geval inkomen eruit halen.” Hij benadrukt ook dat corporaties binnen de beperkingen van de Woningwet 2015 wél nog betaalbare atelierwoningen kunnen ontwikkelen. Ten voorbeeld noemt hij het nieuwe beleid van woningbouwvereniging De Key. Zij stoten commercieel vastgoed af en richten zich op jongeren. Door nieuwe atelierwoningen te ontwikkelen ondervang je twee problemen met dezelfde oplossing: woningnood en aterliernood. Andere corporaties kunnen dit ook doen, maar dan bijvoorbeeld gericht op een andere leeftijdsgroep.

Een kunstenaar die in het bekende woon-werkpand op de Zomerdijkstraat woont, Alite Thijssen, wil graag samenwerken met de woningcorporaties en de gemeente maar is sceptisch. De bestemming van hun atelierpand is door het stadsdeel gewijzigd en dit bleek ondanks drie jaar knokken onomkeerbaar. Nu lijkt er toch van alles te wijzigen. De gemeente zegt de IJzeren Voorraad te willen behouden, maar de lijst is incompleet en lijkt steeds te verkleinen.

Een ander lid van de CAWA voegt toe dat de bestaande kansen in de stad onvoldoende benut worden. Er is gemeentelijk vastgoed dat voor veel te veel geld verhuurd wordt. De gemeente moet een andere bril opzetten.

Wat vinden de referenten?
Platform BK en de Kunstenbond nodigden een aantal referenten uit om te reageren op de statements die ter sprake zouden komen. In het kort hun reacties:

Mariëlle Hendriks (directeur Boekman Stichting) is gecharmeerd door de ideeën die geopperd werden, maar een vastgoedfonds is zes jaar geleden al eens geprobeerd en helaas niet gelukt. We moeten als burgers zelf actiever de barricades op! Er is behoefte aan zelforganisatie en daadkracht. Ze verwacht niet dat de overheid gaat bijspringen, en de culturele sector moet voorkomen het konijn te zijn dat in de koplampen staart.

Johanna de Schipper (initiatiefnemer van The Bookstore Project) is groot voorstander van zelforganisatie, maar onderschrijft ook het voorbehoud van het publiek. Zij heeft zelf jarenlang haar beroepspraktijk on hold gezet voor haar project in de Kolenkitbuurt waarmee ze i.s.m. een woningcorporatie betaalbare woningen en ateliers voor kunstenaars realiseerde. Het project was enorm succesvol, maar vroeg een hoge tol van de organisatoren én de deelnemende kunstenaars. Die moesten bijvoorbeeld een vast aantal uren per week gemeenschappelijke tuinen opknappen of koken. Daar is op zich niks mis mee, maar het staat wel erg ver af van de beroepspraktijk. Zelforganisatie kost teveel tijd en energie, helemaal voor kunstenaars die financieel vaak toch al een onzeker bestaan leiden.

Jaap Draaisma (directeur van Urban Resort) beheert met zijn stichting nu veertien panden. Ze ontwikkelen en beheren deze grote broedplaatsen voor kunstenaars, ambachtslieden, zzp’ers en starters. Maar er nadert een probleem: van die veertien panden zijn er maar drie eigendom, de rest is gehuurd en die huur loopt af. Met particuliere partijen kunnen ze proberen deals te sluiten zoals eerder bij het Volkskrantgebouw, maar corporaties moeten afstoten en de gemeente heeft dit ook als beleidsdoel. Natuurlijk is het ook een optie om buiten de stadsgrenzen kijken. Urban Resort is bijvoorbeeld bezig met panden in Koog aan de Zaan, Purmerend en Weesp. “Dat is prachtig, maar we moeten Amsterdam niet opgeven”, zegt Draaisma. Tenslotte komen er ieder jaar duizenden nieuwe kunstenaars bij, die ook op zoek gaan naar betaalbare werkplekken.

Clemens Mol van steunpunt !WOON is van mening dat er vooral behoefte is aan een andere mind set. “Een wetswijziging is natuurlijk wenselijk, maar met voldoende druk is veel mogelijk”, zegt hij. Corporaties denken vaak dat atelierbehoud en –ontwikkeling niet kan of mag van de wet, maar er zijn voorbeelden van corporaties in Rotterdam en Gelderland die bedenken hoe het wel mogelijk is. Een vastgoedeigenaar die volstrekt toegewijd is aan cultuur, die ontbreekt.

Robert Kloosterman (professor Economische Geografie en Planning aan de UvA) voelt voor een oplossing tussen markt en staat in de vorm van de commons, zoals beschreven door Marc van LeentHet roofkapitalisme waar Tatjana Macic over spreekt, gaan we volgens Kloosterman nooit oplossen. Hij wil korter bij huis beginnen en vindt dat we het tijdelijke moeten benutten. We moeten gebruik maken van de ‘pop-ups’. Kunstenaars en starters moeten daarnaast buiten de ring kijken. “Spring over de ring!” luidt zijn devies. Hij begrijpt dat het Amsterdamse adres symbolisch kapitaal geeft, maar dat kan opgelost worden door de stadsgrenzen te vergroten.

Jaap Schoufour (hoofd van Bureau Broedplaatsen) stelt dat gemeente, particulieren en corporaties niet proberen af te stoten. Het aanbod zal inderdaad minder worden, maar het verdwijnt niet. In Nederland is er door ‘gewoonte’ gelukkig een sterk dempende werking, waardoor het zo’n vaart niet zal lopen. Het ontwikkelen van nieuwe ateliers zal wel in een nieuwe ruimte moeten, buiten Amsterdam. Daar sluit ook de moderator Felix Rottenberg zich bij aan.

We moeten Amsterdam niet opgeven
Natuurlijk is het goed om ook buiten de stadsgrenzen te kijken en kunst en cultuur ook buiten de grote steden te stimuleren, maar je kunt het probleem niet zonder meer verschuiven naar een andere stad of regio. Daarnaast is het in het belang van de stad om kunstenaars in de stad te houden. Om in de woorden van Jaap Draaisma te spreken “Dat is prachtig, maar we moeten Amsterdam niet opgeven.”

Platform BK doet onderzoek naar bestaand atelierbeleid en manieren waarop we het atelierbeleid kunnen verduurzamen. Tijdens het debat kwamen uiteenlopende ideeën ter sprake, die Platform BK verder zal onderzoeken. Houd onze website in de gaten voor het vervolg.

[1] https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/organisatie/ruimte- economie/kunst-cultuur/