“Non-profits are an essential link within the production and presentation of contemporary art.”[1] Zo ronkte de oproep van Art Rotterdam voor aanmeldingen van Intersections dit jaar. Intersections was in 2015 de nieuwste toevoeging aan de bijna twintigjarige beurs voor hedendaagse kunst. In 2017 gaf dit beursonderdeel plaats aan eenentwintig non-profit presentatie-instellingen en kunstenaarsinitiatieven uit heel Nederland en soms daarbuiten. Binnen de kunstbeurs met meer dan 120 internationale galeries zijn deze non-profit kunstorganisaties niet vanzelfsprekend op hun plek.

Het primaire doel van commerciële galeries gedurende een beurspresentatie is het in circulatie brengen van kunstobjecten en de carrière van kunstenaars bevorderen, door verkoop en alle daartoe bijdragende activiteiten. Dit vraagt een bepaalde efficiëntie of doelmatigheid die non-profit plekken misschien liever vermijden. Non-profits opereren via een eigen logica waarin successen en betrokkenheid anders gedefinieerd worden. Voor een non-profit zijn nieuwe inzichten voor kunstenaars en anderen door het publiek maken van kunst soms al voldoende. Elke presentatie kan tot meer leiden, maar het borgen van dat onderzoek moment is voor een non-profit belangrijker.

Aangezien non-profits niet dezelfde doeleinden hebben als hun commerciële tegenhangers kunnen zij op een beurs disruptief werken. De paradox wil dat deze tegendraadsheid juist hun toegevoegde waarde voor de beurs definieert, en een van de redenen is waarom deze kunstinstellingen worden uitgenodigd. De non-profit plekken maken de beurs en de ervaringen voor haar bezoekers interessanter.

Aan de ene kant geeft Art Rotterdam sinds de deelname van de presentatie-instellingen een rijker en beter beeld van het hedendaagse kunstlandschap. Aan de andere kant moeten de presentatie-instellingen zich voegen naar een model waarin profit voorop staat. Art Rotterdam voerde deze spanning op voor de editie van 2018 door de deelnamevergoeding voor non-profits te verhogen naar €2500. Daarmee werd de deelnamevergoeding tweeënhalf keer zo hoog als het jaar ervoor en bijna vijf keer zoveel als de eerste editie in 2015. Je hoeft geen whizzkid te zijn om te snappen dat dit geen gelijke tred houdt met de budgetontwikkelingen van de non-profit presentatie-instellingen en kunstenaarsorganisaties.

Kortom, ondanks dat de non-profits volgens Art Rotterdams statement een ‘essentiële link in productie en presentatie van hedendaagse kunst’ zijn, maken de voorwaarden beursdeelname voor de non-profits in praktijk lastig. Art Rotterdam lijkt zich te weinig in te leven in de financiële positie van deze instellingen. De vraag die ik wil stellen in deze tekst is in hoeverre de beursorganisatie die essentiële link kan of wil waarborgen: zijn de non-profits een onmisbaar ingrediënt voor de taart, of slechts de kers erbovenop?

Tussen trots en opportunisme

Zelf ontving ik de Call for Proposals gelaten, en toegegeven, nogal zelfzuchtig. In 2015 meldde ik me vanuit Nieuwe Vide met ontzettend veel enthousiasme aan voor de eerste editie van Intersections met een solo-presentatie van Marijn Ottenhof. De urgentie om ‘het grote publiek’ op te zoeken was groot. Nieuwe Vide had nét voor het eerst sinds een jaar of vier weer een programmabijdrage van het Mondriaan Fonds in de wacht gesleept. Ik had me een slag in de rondte gewerkt om met beperkte middelen iets neer te zetten en dat werd gezien. Maar het verlaten industrieterrein de Nieuwe Energie in Haarlem ligt nu niet bepaald ‘in de loop’. Het voelde alsof we met de organisatie boven water aan het komen waren. Ook al gaat het niet om de cijfers, frustratie is ook niet onbekend als veel inzet en liefde slechts door een beperkt aantal bezoekers wordt ervaren. Je bent trots op je werk, je wilt het laten zien.

In september 2017 stuurde ik vanuit mijn huidige positie bij MAMA naar aanleiding van de oproep voor voorstellen voor Intersections 2018 een beknopt mailtje naar collega Marloes de Vries (curator/programmamaker) – ‘Wij haken af, wordt het niet eens tijd om te kijken of we eens bij de Kunstvlaai kunnen aanhaken?’. Het was een simpele financiële overweging die ik mij kon permitteren omdat MAMA’s expositieruimte aan een drukke straat ligt, en de beurs in eigen stad plaatsvindt. Het bleek dat er maar twee jaar voor nodig was om te vergeten hóe belangrijk ik de opportuniteit vond toen ik nog vanuit een verwaarloosd industrieterrein in Haarlem opereerde.

Dat andere presentatie-instellingen ook afhaakten verbaasde mij geenszins. Ik keek wel even op van de ophef die rondom de Call ontstond. Op Facebook werd verontwaardigd gereageerd in een mix van teleurstelling en recht op deelname. In mijn ogen is het toch aan Art Rotterdam om te bepalen of zij de hogere huurkosten – die deze editie ontstaan is door een gewijzigde locatie binnen de Van Nellefabriek – door te berekenen aan de deelnemers. Het leek mij een inschattingsfout van de beursorganisatie die toch zeker een deel van hun stakeholders zou afstoten met dit besluit. Gesprekken die de Call on- en offline opriep met anderen die in voorgaande jaren hebben deelgenomen aan Intersections, in bijzijn van de beursorganisatie en in eigen kring, confronteerden mij er echter mee hoe verleidelijk het is om een logica van investering en rendement te hanteren. En het viel me op hoezeer ‘wij als non-profits’ ons aandeel in het creëren van waarde daarmee tekort doen.

Prikkels

Een deel van de motivatie van non-profit organisaties om deel te nemen aan een internationale beurs als Art Rotterdam is altijd intrinsiek: een kunstpraktijk willen delen met een zo groot mogelijk publiek dat wordt gefaciliteerd door de context van een beurs. De ongekend grote en diverse bezoekersmassa (van kenner tot kennismaker) van Art Rotterdam kan zich heel goed lenen voor specifieke artistieke praktijken. De beurs staat bol van verwachtingen en codes die kunstenaars met meer experimentele praktijken naar hun hand weten te zetten. Maar er zijn natuurlijk ook andere prikkels.

Beursdeelname blijkt altijd een waardevol instrument om grote bezoekersaantallen mee te behalen, één van de vele subsidie-eisen – van de gemeente, overheid, óf private subsidiënten – die aan de non-profits gesteld worden. Dit valt goed te legitimeren, want de presentatie-instellingen investeren behoorlijk in deelname, en het publiek ís er toch? De hoogte van deze aantallen zijn natuurlijk vooral een verdienste van de kunstbeurs zelf: hún pr-motor en publieke uitstraling. Om dit bij de cijfers van een non-profit mee te rekenen is enigszins kunstmatig. Bovendien zijn deze beursontmoetingen met het publiek doorgaans een stuk vluchtiger dan in eigen huis. Doen de non-profits zichzelf dan tekort door deze eenheden met elkaar te verwarren? Zou het in de eerste plaats niet beter zijn om een uitgebreider vocabulaire te ontwikkelen dat de waarde van kleinschalige, maar high-impact ontmoetingen met het publiek weet te vatten?

Art Rotterdam lijkt bewust of onbewust te kunnen profiteren van deze behoefte aan kwantificeerbare zichtbaarheid van non-profits. Met enig cynisme kun je stellen dat de hogere deelnamekosten (€1500 t.o.v. 2017) een investering zijn om aan de verwachtingen van de structurele financiers te kunnen voldoen en zodanig hun ondersteuning aan de beurs veilig te stellen. Het is met grote stappen snel thuis, maar deze investeringslogica maakt de non-profit kwetsbaar. Op die manier raken de waarden specifiek voor non-profits uitgehold. De non-profits moeten ervoor waken dat de wetten van kwantiteit en bezoekersaantallen niet te dominant worden en intrinsieke waarde en eigen kwaliteiten verdringen.

Ongemak: symboolpolitiek, machteloosheid en uniformiteit

Dat non-profit instellingen die zich meer in de periferie bevinden meer nood hebben aan een groot publieksplatform schept nog geen verplichting voor Art Rotterdam om hun organisatie in te richten op een manier die voor non-profits financieel houdbaar is. Het tenenkrommende is echter dat de oproep van Art Rotterdam onder een valse ideologische vlag gepresenteerd wordt: “For Intersections 2018 we are seeking applications that respond to feelings of dissatisfaction and unease in the face of the present political, social, economic and cultural system.” Hier komt nog een paradox bovendrijven: Art Rotterdam wil enerzijds ongemakken in het culturele veld inventariseren, anderzijds is de beurs zelf aanjager geworden van gevoelens van ongemak. De verschillende reacties – of noem het zorgen – die te geven zijn op Intersections’ oproep en die de beurs blijkbaar uit het veld wil ophalen, zouden zomaar tegen de beurs zelf gericht kunnen zijn.

De eerste zorg die ik kan delen gaat over zelfbeschikking. Partijen die een zekere macht hebben, zoals Art Rotterdam, flirten keer op keer met symbolische toespelingen op maatschappelijk engagement, maar zij bevragen zichzelf niet. Laat staan dat ze zichzelf herstructureren om bij te dragen aan de maatschappelijke verandering. Concepten als ‘precariteit’ en ‘flexibilisering’ worden modewoorden; een valuta waar een (kennis)industrie omheen ontstaat waarmee de meest kwetsbaren geen stap dichterbij stabiliteit komen. Sterker nog, de mogelijkheid om gehoord te worden in het gesprek over hun eigen onvrede wordt aan henzelf doorbelast, in geld of tijd, wat hun toch al kwetsbare situatie verder uitholt. In die zin schrijf ik dit Weerwoord in plaats van MAMA aan te melden voor Intersections. De vragen die Intersections stelt zijn zinnig. Echter, het lijkt mij nóg belangrijker dat de non-profits zelf de voorwaarden bepalen van de manier waarop die (vele) antwoorden gegeven worden.

De tweede zorg die ik wil uiten gaat over het principe van repressieve tolerantie. Non-profits worden ‘uitgenodigd’ om zichzelf op te voeren als voorbeelden van experiment en vooruitstrevendheid. Maar bij grote besluiten die hen treffen worden zij niet voldoende serieus genomen of als gelijkwaardige gesprekspartner gezien. Als puntje bij paaltje komt, blijkt de positie van non-profits als stakeholder in deze kwestie wankel. Let wel, dit is een tendens die zich bij veel serieuze maatschappelijke kwesties voordoet. Naast de wereld van de beeldende kunst komt dit principe ook bij ontwikkelingen in de zorg, het onderwijs, of het racismedebat voor. Machtsverhoudingen worden in stand gehouden, onderwijl de illusie gevend van vooruitgang.

Mijn derde zorg is een op het gebied van diversiteit. Ik zie steeds weer – en meer – gebeuren dat kleine, unieke partijen zich tot ‘de groten’ moeten verhouden, en diens ‘succesformules’ zullen moeten kopiëren. Of de kleintjes dan door de groten worden opgeslokt, zoals in het bedrijfsleven aan de lopende band gebeurt, valt nog te bezien.[2] In de kunsten lijkt mij het risico eerder dat een toenemende uniformiteit het draagvlak voor de (experimentele) kunsten aantast. Want als alles op elkaar gaat lijken, waarom zou je er dan zoveel van hebben? Als we niet de diversiteit van ons veld in de volste breedte kunnen laten zien, hoe kunnen we dan een vuist maken voor de waarde van elke genuanceerde en specifieke verschijningsvorm?

In relatie tot de laatste zorg is het aanbod dat Art Rotterdam de presentatie-instellingen doet een voorbeeld van het instrumentaliseren van de ‘speelse weerbarstigheid’ van non-profit instellingen. Een van de oorzaken van de opgedreven prijs bleek het tentoonstellingsontwerp van de stands voor Intersections: het geplande ‘afgeschuurde en ruwe’ uiterlijk voor de non-profits was duurder dan een gewone witte wand. Deze ontwerpkeuze van Art Rotterdam wekt het vermoeden dat de non-profits er vooral zijn om een idee van ‘experimenteel’ op een beheerste manier te ´performen´, in een prettig visueel jasje.

Volgende keer beter?

Art Rotterdam is bereid gevonden om met de Nederlandse non-profits die zich door de kwestie voelen aangesproken in gesprek te gaan. Er is een minimale korting geboden en er blijkt wat ruimte voor een wijziging van de standbouw. Dat is echter too little, too late, in ieder geval voor dit jaar. Volgend jaar zou misschien al een stap gezet kunnen worden richting het wegnemen van de tweede zorg door de betrokkenen wél meteen te benaderen als stakeholders; gedeelde doelen te benoemen en op zoek te gaan naar échte (duurzame) oplossingen.

Ondertussen heeft de beursorganisatie zelf het concept van Intersections moeten oprekken en doen er in 2018 ook galeries mee. Hiermee delft de oorspronkelijke claim over de essentiële positie van de non-profit instelling het onderspit. Dit kan toch zeker geen positieve bijdrage leveren aan de kritische reputatie die Art Rotterdam in de afgelopen jaren – ironisch genoeg mede door de aanwezigheid van Intersections – heeft opgebouwd.

Een van de aannames waar Intersections nu over struikelt, is dat de verhoogde kosten door non-profits gedekt zouden kunnen worden mits de oproep vroeg genoeg werd geplaatst. Instellingen zouden dan tijd hebben extra fondsen te werven. Dat het merendeel (zo niet alle) van deze partijen toch al dik onderbetaald of gratis werkt, wordt voor het gemak even vergeten. De extra financieringsinspanningen zouden tevens debet kunnen zijn aan versplintering en concurrentie in een toch al kwetsbaar kunstenveld dat afhankelijk is van publieke fondsen. Is het ondenkbaar voor Art Rotterdam om de verantwoordelijkheid te nemen voor het begrotingsgat dat door de duurdere vierkante meters ontstaat? Mogelijk kan dat zelfs in samenwerking met een aantal van de stakeholders, door gezamenlijk naar een financierende partij te stappen met een overtuigend voorstel dat de beurs met dit onderdeel de diversiteit van de sector kan tonen.

Naar gelijkwaardigheid en eigenwaarde

Het lijkt mij verstandig om vast te stellen dat non-profits voor hun (voort)bestaan geen kwaliteitsstempel nodig hebben van een kunstbeurs, welke dan ook. Ik wil er in de eerste plaats voor pleiten de hand in eigen boezem te steken. Misschien hebben wij als non-profits – onder druk van krappe agenda’s en budgetten – veel te lang geleund op grote platforms en onszelf daardoor in een voorwaardelijke positie laten duwen. Daarnaast wil ik benadrukken dat dit Weerwoord er niet op gericht is de waardering die Art Rotterdam vóór de non-profits heeft in twijfel te trekken. Maar ik wil wel andere manieren aanwijzen om die waardering in de praktijk te brengen. Kijk bijvoorbeeld naar de Brusselse kunstbeurs Poppositions. Die heeft bij meet af aan geen onderscheid gemaakt tussen commercieel georiënteerd of non-profit, maar richt zich primair op experimentele posities met een bijpassend prijskaartje.

Ondertussen heb ik vertrouwen dat de discussies die uit deze kwestie voortvloeien, kunnen functioneren als een katalysator voor hervonden solidariteit tussen én zelforganisatie van de initiatieven. Door grotere solidariteit tussen de non-profits kunnen zij voorwaarden stellen aan de samenwerking met Art Rotterdam. Op basis van gelijkwaardige samenwerking tussen de beurs en de non-profits kan Intersections meer recht doen aan ieders eigenwaarde. Dit hoeft niet te betekenen dat mens en middelen aan elkaar gelijk worden gesteld, maar dat er juist meer recht gedaan wordt aan de verschillende waarden. Dit wil dus niet zeggen dat non-profits niets te zoeken hebben op een beursvloer, maar non-profits moeten niet de eigen principes afvallen om aan Art Rotterdam deel te kunnen nemen.

[1] http://www.artrotterdam.com/users/128/content/home/EN-apply.html

[2] Zie John Oliver over het incorporeren van kleine ondernemingen door grote corporaties om hun machtspositie te consolideren: https://www.youtube.com/watch?v=00wQYmvfhn4

Afbeelding: Yuri Veerman

Met dank aan: