Openheid van zaken? (“Open”, Rory Pilgrim, 2012)

Full Disclosure: processes of corporatization in the public eye

De recente advertentie ‘Roep Ruf Terug’ in de zaterdageditie van het Parool op 17 februari en de daarop volgende reacties over ‘spookhandtekeningen’ toont de herhaaldelijk op sensatie berustte beeldvorming van de media ten opzichte van de bestuurlijke crisis waar het Stedelijk Museum momenteel in verkeert. Om de aanhoudende Ruf-kwestie beter te kunnen duiden en ontdoen van haar smeuïge karakter is het belangrijk om deze institutionele impasse in een groter kader te plaatsen en te kijken naar de semi-publieke status van het Stedelijk Museum; hoe het museummodel als zodanig onderhevig is aan neoliberaal overheidsbeleid dat inzet op cultureel ondernemerschap. Een terugtrekkende overheid die bezuinigt op cultuur betekent voor musea onder andere de ontstane noodzaak van het werven van meer private gelden van corporate sponsoren, filantropen en kunstverzamelaars. Om dit te bevorderen is het Stedelijk Museum in 2006, middenin het proces van renovatie en uitbreiding, als voormalig gemeentelijke instelling verzelfstandigd. Het museumgebouw en haar collectie, die beide publiek eigendom zijn van de Gemeente Amsterdam, worden nu beheerd en geëxploiteerd door de in feite private Stichting Stedelijk Museum Amsterdam.

De transformatie van het publieke instituut naar de huidige quango (quasi-autonome non-gouvernementele organisatie) maakt het museum onherroepelijk vatbaar voor belangenverstrengeling, des te meer doordat de kunstwereld in toenemende mate wordt ingelijfd binnen abstracte economische structuren. De grotere trend, zoals vaker beschreven door socioloog Olav Velthuis, is die van het geprivatiseerde museum dat door vermogende elites als instrument wordt gehanteerd om via hun giften gunstige belastingaftrek te realiseren. Dit kan worden geïnterpreteerd als indirecte subsidie, waardoor niet langer de overheid bepaalt waar belastinggeld naartoe gaat, maar een kleine groep overwegend rijke donateurs. In de Verenigde Staten zijn deze constructies al sinds jaar en dag business as usual. Het recente artikel ‘De ondernemende mecenas: hoe de superrijken hun liefdadigheid organiseren’ in De Groene Amsterdammer van 8 februari geeft helder weer hoe ook de in Nederland gehanteerde culturele ANBI status dit soort filantrokapitalistische praktijken in de hand werkt.

Al met de oprichting van de eerste Raad van Toezicht werd het Stedelijk Museum in een positie gebracht die haar integriteit ondermijnde. Bankier Rijkman Groenink, de eerste voorzitter van de Raad van Toezicht, droeg tussen 2004 en 2009 dubbele petten en misbruikte zo de expertise van het museum ten gunste van de positionering van de eigen ABN AMRO kunstverzameling (uiteindelijk wilde zelfs sponsor Bankgiro Loterij geen zaken meer doen met het Stedelijk Museum zolang Groenink aanbleef). In dit opzicht zijn de complex vernetwerkte belangen in de kunstcosmos van Beatrix Ruf (zoals haar band met de Zwitserse kunstverzamelaar Ringier, die o.a. goed gebruik maakte van het Stedelijk om kunstpublicaties mee uit te geven) niets meer dat een voorzetting van de problematiek waar het Stedelijk Museum mee te kampen heeft sinds haar verzelfstandiging ruim tien jaar geleden. Dat geld, macht en invloed in de kunstwereld steeds meer verstrengeld raken is een gegeven, en niet zozeer de meest prangende kwestie. Het is de vraag wat voor positie het museum in zal nemen binnen dit krachtenveld om haar publieke functie te kunnen waarborgen en onderschrijven. Daarbij staan Ruf’s artistieke prestaties niet ter discussie, maar heeft zij hiervoor wel moeten opereren aan de randen van wat ethisch toelaatbaar is.

Wie de dupe is geworden van deze ontwikkelingen is vooral de lokale kunstgemeenschap, met het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam als stuitend en tragisch voorbeeld. Sinds de sluiting van SMBA en de aankondiging van het herpositioneringsonderzoek in de zomer van 2016 heeft het museum geen woord meer gerept over de status van het inmiddels alweer verjarende onderzoeksrapport (zie: Joram Kraaijeveld, Open brief aan het Stedelijk Museum Amsterdam). In december verklaarde interim directeur Jan Willem Sieburgh tijdens een debat in De Balie dat het afgeronde SMBA-rapport wel degelijk in een lade ligt, maar dat cultuurfonds Ammodo het initiatief “momenteel heeft stilgezet.” Ondertussen blijft de kunstgemeenschap in het ongewisse. Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de rol van sponsor en ’research-partner’ Ammodo in de in nevelen gehulde doorontwikkeling van SMBA. Al in 2014 schreef journalistenplatform Follow The Money over het op dubieuze wijze verkregen kapitaal van ruim 1 miljard euro (afgetroggeld van de pensioenen van havenarbeiders) dat stichting Ammodo sinds 2011 uitkeert aan culturele instituten in Nederland. Welk belang heeft Ammodo bij de ontwikkeling van een nieuw kunstinstituut in Amsterdam? De effecten van verzelfstandiging en de invloed van sponsoren op het Stedelijk Museum zet niet alleen druk op haar dagelijks functioneren, maar ook op haar invulling van wat het betekent om een publiek instituut te zijn.

Deze tekst dient als inleiding tot de scriptie Full Disclosure: processes of corporatization in the public eye. De volledige tekst (in het Engels) is hier als pdf te downloaden.

Beeld: Openheid van zaken? (“Open”, Rory Pilgrim, 2012)


Timo Demollin (1988) is beeldend kunstenaar en studeert dit jaar af aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. In zijn werk onderzoekt hij eigendomsverhoudingen, institutionele structuren en de economische processen waar de kunst aan onderhevig is.