Protestkunst door Balik Bayan bij de demonstratie tegen de NEDS Arms Fair in Ahoy Rotterdam, 20 november 2025 (Foto: Alina Lupu).
Onlangs vroeg het Van Gogh Museum de overheid om tweeënhalf miljoen voor essentieel onderhoud. Dat verzoek werd afgewezen. Opmerkelijk, gezien de toezegging die de staat eerder deed aan de Van Gogh Stichting om bouw- en onderhoudskosten te dekken in ruil voor de winst die de stichting maakte door museumbezoeken. Die belofte lijkt nu op de lange baan te zijn geschoven, als ze niet stilzwijgend is afgedankt. Ondertussen geeft de overheid dit jaar zo’n 25 miljard euro uit aan defensie. Dat is tienduizend keer zoveel als het bedrag dat nodig is om het meest bezochte museum van Nederland soepel te laten draaien.
Als het Nederlandse politieke bestel de middelen niet kan ophoesten om hun Van Goghs veilig te stellen, kun je je wel voorstellen dat levende kunstenaars het afleggen tegen de belangen van het militair-industrieel complex.
Over de gehele breedte van de culturele sector moeten zelfstandigen vechten om subsidies, en zien onafhankelijke instituten zich genoodzaakt te kiezen tussen het afstoten van programma’s of bezuinigen. Wie nu in de sector begint, moet het doen met minder plekken en minder kansen. Tegelijkertijd wordt van kunstenaars verwacht dat ze meedoen met prestigieuze tentoonstellingen, muurschilderingen ontwerpen voor de NAVO-top, en hun werk inzetten voor culturele diplomatie die militarisering impliciet normaliseert. Het lijkt tegenwoordig de weg van de minste weerstand. Tenminste, als je je brood wil verdienen. De kunstenaar heeft de keuze: stilzwijgend meegaan met de militarisering of zich een berekende politieke neutraliteit aanmeten.
Dit is geen hypothetisch moreel vraagstuk. Het is de spanning waarin de kunstenaars in dit land leven. Hoe moet je overleven en een carrière opbouwen zonder medeplichtig te zijn aan een systeem dat cultuur in toenemende mate verbindt met militarisering, waardoor neutraliteit geen reële optie is? Bijdragen aan dit klimaat kan betekenen dat je meewerkt aan artwashing. Trek je je terug, dan riskeer je verlies van financiering, zichtbaarheid en de mogelijkheid om als kunstwerker je hoofd boven water te houden. In dit essay laat ik zien hoe de Nederlandse beeldende kunst verstrengeld is met militarisering via begrotingen, platforms, tentoonstellingen en financieringsstructuren. Ik houd voorbeelden van artwashing, institutionele neutraliteit en door de staat gesteunde culturele programma’s tegen het licht, en onderzoek hoe kunstenaars gedwongen worden om met deze druk om te gaan door middel van weigering, boycot en collectieve actie.
Protestillustratie tegen de NEDS Arms Fair in Ahoy, Rotterdam (Collective Refusal).
De cultuursector onder druk
De financiële druk op Nederlandse culturele instellingen is niet nieuw. Meer dan tien jaar geleden, met de bezuinigingen van 2011, zag de culturele sector al dat er in haar programmering gesneden werd. Wel nieuw is waar de publieke middelen nu naartoe gaan als ze de kunstsector verlaten, en ook hoe het ministerie van Defensie zich steeds meer positioneert binnen het culturele veld. De recente bezuinigingen van ongeveer 200 miljoen euro op binnenlandse culturele programma’s vallen samen met een nationaal defensiebudget dat in 2025 naar verwachting 25 miljard euro zal bedragen. Maar de belangrijkste verschuiving is het door het ministerie toenemende gebruik van culturele partnerschappen, commissies en institutionele samenwerkingsverbanden om invloed te kopen en militaire prioriteiten in de kunstsector te verankeren. Deze cijfers duiden dus niet alleen op een fiscale voorkeur voor militarisering, maar ook op een toenemende verstrengeling tussen culturele infrastructuren en militaire macht.
De impact van deze begrotingsbeslissingen is in de hele sector voelbaar. De nominale culturele uitgaven zijn tussen 2015 en 2023 met ongeveer 34,7 procent gestegen, maar door de inflatie van ongeveer 26 procent is de reële koopkracht van instellingen en individuen gedaald. Particuliere bijdragen aan cultuur zijn gedaald van ongeveer honderd miljoen euro vóór COVID tot ongeveer zestig miljoen euro in 2022. Zelfs de gemeentelijke culturele uitgaven per inwoner, die zijn gestegen van 108 euro in 2017 tot 127 euro in 2023, hebben de inflatie en de groeiende eisen aan kunstinstellingen niet gecompenseerd.
Voor kunstenaars – zowel gevestigde zelfstandigen als nieuwkomers – en voor medewerkers van kunstinstellingen leidt dit tot onzeker werk, minder kansen en meer concurrentie voor banen, beurzen en residenties. Tegelijkertijd wordt van velen verwacht dat ze deelnemen aan toonaangevende exposities of programma’s die ethisch discutabel kunnen zijn. Dit creëert een klimaat waarin financieel overleven en professionele zichtbaarheid niet altijd in positieve zin innig verbonden zijn met betrokkenheid bij initiatieven die door de staat gesteund zijn.
De consolidatie van grote kunstbeurzen heeft deze druk nog versterkt. De 26e editie van Art Rotterdam vindt in 2026 plaats in Ahoy, waarbij zowel het Prospects-programma voor opkomende kunstenaars als de Unseen Photo Fair gelijktijdig plaatsvinden. De editie van dit jaar, zonder Unseen, vond al plaats in Ahoy. Hoewel de verhuizing de logistieke capaciteit en het bereik van het publiek vergroot, wat volgens de organisatoren de bedoeling is, brengt deze keuze de beurs in verband met de NEDS Arms Fair, die in november van dit jaar voor de 36e keer in Ahoy werd gehouden. Deze connectie zorgt voor een diepgaand ethisch dilemma: deelname aan deze ruimtes kan zichtbaarheid en carrièremogelijkheden vergroten, maar kan ook worden geïnterpreteerd als stilzwijgende steun aan de militariseringsagenda. Dit geldt des te meer omdat Ahoy Rotterdam het programmadiscours afvlakt. Het biedt onderdak aan van alles en nog wat, zodat gerichte kritiek niet relevant lijkt.
Kunstenaars die afhankelijk zijn van beurzen zoals van Mondriaan Fonds, staan bloot aan nog meer kwetsbaarheden. Wie de Kunstenaar Startbeurs ontvangt, staat automatisch ingeschreven voor de jaarlijkse Prospects tentoonstelling. Wie weigert om deel te nemen zet de zichtbaarheid en financiering van diens kunstpraktijk op het spel, iets waar kunstenaars zich toch al hyperbewust van zijn, aangezien dit voor sommigen de eerste kans op een doorbraak is. Aan de andere kant kan meedoen hun ethische integriteit schaden. Dit gebeurde reeds in 2025, toen sommige Prospects-kunstenaars zich uitspraken tegen Ahoys medeplichtigheid aan militarisering, hetzij met speeches tijdens de opening van de beurs, hetzij, in een geval, door middel van hun werk. Het resultaat is een precair systeem waarin structurele afhankelijkheid artistieke en morele vrijheid inperkt.
De structurele druk van krimpende begrotingen en monopolisering van platforms geven de dagelijkse keuzes van kunstenaars in Nederland vorm. Kleinere gallerieën en onafhankelijke instituties hebben het financieel zwaar, terwijl grotere kunstruimtes domineren. In de praktijk betekent dit dat ethische overwegingen, bijvoorbeeld om een opdracht te weigeren of een institutie of subsidiegever zoals het Mondriaanfonds te bekritiseren of simpelweg niet te participeren, zwaarwegende professionele en economische gevolgen kan hebben. Neutraliteit is een overlevingsstrategie in deze context, maar leidt ook tot medeplichtigheid.
Neutraliteit wordt in feite een middel om institutionele legitimiteit te waarborgen, en daarmee morele verantwoordelijkheid uit de weg te gaan.
Culturele diplomatie en artwashing
In grote lijnen is artwashing het gebruik van kunst om af te leiden van schadelijke praktijken, of deze te legitimeren of te saneren. In Nederland werkt dat op verschillende niveaus: door jeugdwedstrijden, institutionele ‘neutraliteit’ en programma’s die neergezet worden als culturele diplomatie. Het effect is subtiel, maar alomtegenwoordig. Het beïnvloedt de perceptie en zet kunstenaars onder druk om mee te doen zonder kritisch te kijken naar de politieke belangen. Om te overleven moeten kunstenaars hun politieke standpunten verloochenen.
Een duidelijk voorbeeld is de muurschilderingenwedstrijd die de NAVO dit jaar voor jongeren uitschreef. Het project werd gepresenteerd als een cultureel project om creativiteit en maatschappelijke betrokkenheid te bevorderen, maar diende tegelijkertijd als een soft power-initiatief om publieke steun voor militarisering te kweken. Door kunstenaars uit te nodigen om na te denken over ‘gedeelde veiligheid’, normaliseerde het project militaire allianties als maatschappelijke deugden. Dit is hoe artwashing werkt: een culturele gestie die als neutraal wordt gepresenteerd, maar inherent politiek is en verband houdt met de agenda van de militariserende staat.
Institutionele keuzes zetten dit patroon kracht bij. Het Stedelijk Museum Amsterdam weigerde in 2024 bijvoorbeeld om Ahmet Öğüts werk ‘Bakunin’s Barricade’, een grootschalige installatie gemaakt van autowrakken, hekken en originele schilderijen van de eigen collectie, daadwerkelijk te laten gebruiken als barricade, ook al staat in het aankoopcontract expliciet vermeld dat het mag worden uitgeleend ‘in tijden van sociale transformatie’. Activisten van het Not Surprised Collective hadden om de barricade gevraagd om studentenbezettingen tegen de genocide in Gaza te beschermen tegen politiegeweld. Terwijl de beslissing van het museum gepresenteerd wordt als neutraal blijven, is het in feite een keuze die de ethische inzet van het kunstwerk negeert. Kunstenaars die zich ertegen uitspraken, liepen het risico op schade aan hun carrière en reputatie. Dit laat wederom zien welke tastbare gevolgen ethische overwegingen kunnen hebben. Neutraliteit wordt in feite een middel om institutionele legitimiteit te waarborgen, en daarmee morele verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Na anderhalf jaar heeft het Stedelijk zich nog steeds niet uitgesproken over de genocide, noch heeft het museum zich aangesloten bij een boycot.
De Nederlandse culturele diplomatie laat ook zien dat er druk is vanuit het systeem. Programma’s die cultuur koppelen aan nationale handel, veiligheidsinitiatieven en internationale vertegenwoordiging zorgen ervoor dat instellingen zichzelf als neutraal kunnen presenteren terwijl ze de prioriteiten van de staat promoten. Een duidelijke historische parallel is het Brand Israël-programma, waarbij Israëlische culturele instellingen werden ingezet om een positief beeld van de staat in het buitenland te promoten, ondanks de voortdurende bezetting en het systematische geweld. Brand Israël werd ingezet in Nederland en financierde reizen naar Israël voor Nederlandse cultuurwerkers onder de naam Kunsten Israel. Deelname aan deze programma’s lijkt misschien onschuldig, maar draagt bij aan een bredere legitimering van militarisering en structurele ongelijkheid. Kunstenaars en andere cultuurwerkers die zich op dit terrein begeven, moeten de implicaties van hun betrokkenheid niet alleen voor zichzelf beoordelen, maar ook voor de bredere netwerken van culturele legitimiteit waarin zij actief zijn.
Zo bezien illustreren deze drie voorbeelden, de NAVO-wedstrijden, de keuzes van het Stedelijk Museum, en de door de staat georganiseerde culturele diplomatie, samen hoe het brede scala aan artwashing er in de Nederlandse context uitziet. Ze tonen hoe cultuur ingezet kan worden om militarisering te ondersteunen en hoe de kosten van ethische overwegingen verhaald worden op individuele kunstenaars en collectieven.
"No Business As Usual." Campagne voor Culturele Boycot van Israël campaign in Nederland en België
Weigering, boycot en collectieve actie
Culturele boycots bieden een mechanisme voor ethische interventie. Initiatieven zoals de Nederlandse en Belgische culturele boycot van Israëlische instellingen, No Business as Usual, laten zien hoe kunstenaars en cultuurwerkers zich kunnen richten op institutionele medeplichtigheid zonder individuen te straffen. Deze boycots richten zich op entiteiten die systemisch onrecht in stand houden. Ze zorgen dat de publieke aandacht wordt gevestigd op medeplichtigheid, en terwijl ze tegelijkertijd gebruikmaken van de morele en symbolische invloed van cultureel prestige.
Een ander voorbeeld van collectieve organisatie tegen artwashing in de Nederlandse context is Collective Refusal, dat voortgekomen is uit de laatste editie van Prospects. Met name de petitie die door Collective Refusal is ingediend tegen het organiseren van de NEDS Arms Fair in Ahoy, illustreert hoe collectieve actie instellingen onder druk kan zetten om hun medeplichtigheid te erkennen. De beginnende kunstenaars die door Prospects werden gepromoot, worden nu zonder hun toestemming medeplichtig gemaakt aan de verhuizing naar Ahoy die het Mondriaan Fonds heeft doorgevoerd. Collective Refusal vraagt daarom om de instelling ter verantwoording te roepen.
Protest tegen de NEDS Arms Fair in Ahoy (Foto: Alina Lupu).
Collective Refusal publiceerde haar petitie en statements anoniem en daar heeft ze goede redenen voor. Er is ook een goede reden waarom de initiatiefnemers van No Business as Usual hun actie pas publiek maakten nadat ze kritische massa hadden bereikt. En nog steeds kregen ze kritiek uit het veld omdat ze het waagden om een boycot te beginnen tegen de genocide die Israël verricht in Palestina.
Het lijdt geen twijfel dat wanneer kunstenaars weigeren om mee te werken aan prestigieuze evenementen of in het openbaar kritiek leveren op instituties, het gevolgen heeft voor hun kansen op beurzen, opdrachten, uitnodigingen voor tentoonstellingen, en professionele netwerken. De angst voor deze gevolgen heeft een chilling effect in de sector. Voor degenen die wel durven te weigeren of kritisch te zijn, blijft het de vraag wat de invloed daarvan is op de lange termijn. En dat in een beroep dat toch al inherent precair is. Ondanks deze risico’s blijven terugtrekking en publieke kritiek essentiële instrumenten om ethische integriteit te behouden.
Collectief organiseren versterkt zowel de morele duidelijkheid als de impact, en vermindert het isolement van individuele kunstenaars. Ethische zichtbaarheid vereist ook onderzoek en nauwkeurigheid. Door financieringsstromen in kaart te brengen, institutionele banden te traceren en sponsorstructuren te analyseren, kunnen kunstenaars hun kritiek nauwkeurig verwoorden, wat de verantwoordingsplicht versterkt en druk uitoefent om institutionele hervormingen door te voeren. Niet alle kunstenaars beschikken echter over de vaardigheden om deze initiatieven uit te voeren, maar ze blijven wel zitten met hun ongemak en de angst om te reageren.
Boycot, collectieve actie en ethische zichtbaarheid vormen samen een coherente verzetsstrategie. Hoewel deze maatregelen financiële en professionele kosten met zich meebrengen, helpen ze de cultuursector te behouden als een ruimte voor kritiek in plaats van coöptatie. In een context waar neutraliteit steeds meer gelijkstaat aan medeplichtigheid zijn dit soort strategieën cruciaal voor het bewaken van ethische en artistieke integriteit.
Een anekdote
Op 11 November 2025 rolde het Luxor Theater in Rotterdam de rode loper uit voor Antony Blinken, de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Blinken is een van de belangrijkste architecten van de voortdurende militaire steun van de VS aan Israël tijdens de verwoesting van Gaza, een beleid dat door veel mensenrechtenorganisaties en miljoenen mensen over de hele wereld wordt veroordeeld omdat het wreedheden in de hand werkt. Buiten het theater verzamelden cultuurwerkers en andere activisten zich om te protesteren. En binnen? Zoals later bleek, voelde ten minste één Rotterdamse cultuurwerker zich volkomen op zijn gemak om mee te applaudisseren.
Die insider was Wim Pijbes. Op het instagramaccount van de directeur van Droom en Daad, de stichting die grote culturele projecten in Rotterdam financiert, waaronder de bouw van het Fenix Migratiemuseum, prijkte later die dag een ademloos citaat van Blinken: ‘Ik geloof in de kracht van kunst om barrières te doorbreken, en in muziek als een middel om verbinding te leggen.’ De achtergrondmuziek van de post was, haast cabaretesk, Oasis’ Don’t Look Back in Anger.
Zo’n post zou toondoof zijn, van wie die ook afkomstig was. Maar het hoofd van een cultuursubsidie-imperium dat een zeer controversiële staatsman citeert tijdens een aanhoudende humanitaire ramp: dat is moeilijk niet als een provocatie te zien. Blinkens familiebanden met de filantropische elite en vroege investeringen in de staat Israël, evenals zijn persona als hobbymuzikant, maken de absurditeit van deze romantische façade alleen maar duidelijker.
De reacties stroomden ‘s nachts binnen. Tegen de ochtend was het bericht verdwenen. Zonder screenshots zou Pijbes’ korte poging om het imago van Blinken op te poetsen met een popsong volledig uitgewist zijn.
Screenshot van de instagrampost van Wijm Pijbes over het bezoek van Anthony Blinken.
Dit brengt ons bij een vraag die al maandenlang onder de culturele scene van Rotterdam sluimert: waarom heeft het Fenix Migratiemuseum, dat op 15 mei werd geopend, een datum die internationaal wordt erkend als de verjaardag van de Nakba, ervoor gekozen om die geschiedenis niet te erkennen? Nu de politieke voorkeuren van Pijbes duidelijk zichtbaar zijn, lijkt deze omissie minder een vergissing maar meer een bewuste afbakening van ‘aanvaardbare verhalen’.
Laten we wel wezen: musea zijn niet neutraal. De mensen die ze financieren zijn niet neutraal. En deze laatste episode veegt de laatste restjes beleefde ambiguïteit weg. Pijbes heeft nooit echt een geheim gemaakt van zijn banden met westerse machtsstructuren. Het echte verhaal is hoe brutaal hij daar nu mee te koop loopt.
Ondertussen blijven de culturele instellingen die hij overziet of financiert – het International Film Festival Rotterdam, Kunstinstituut Melly, de steeds groter wordende constellatie van Droom en Daad-projecten – zich profileren als voorvechters van diversiteit en inclusie. Maar wiens diversiteit? Inclusie van wat, en uitsluiting van wie?
Neem bijvoorbeeld het beeldhouwwerk Moments Contained van Thomas J. Price op het Stationsplein, dat wordt geprezen als een progressief symbool, maar gefinancierd is met geld waarvan niemand de politieke herkomst in vraag lijkt te willen stellen. Of neem het Makersloket van Droom en Daad tijdens Covid: een reeks kleine subsidies voor kunstenaars in moeilijkheden, afgesloten met een handdruk van Pijbes tijdens een borrel. Kunstenaars konden een aanvraag indienen zolang hun werk geen ‘overwegend politieke of religieuze doelstelling’ had. Met andere woorden: we financieren je, zolang je maar niets ter discussie stelt.
Dit verhaal laat zien hoe makkelijk culturele autoriteiten zich kunnen scharen achter geopolitieke machten, terwijl instituten hun schijn van neutraliteit behouden. De stilte rondom de Blinken-post, samen met de keuze van het Fenix Migratiemuseum om elke verwijzing naar de Nakba buiten de deur te houden, terwijl ze nog wel openen op de datum dat die wordt herdacht, laten samen zien hoe institutionele narratieven actief vormgegeven worden door de mensen die ze financieren en besturen. Hun keuzes zorgen voor een klimaat waarin politieke partijdigheid aan de top genormaliseerd is, terwijl kunstenaars en cultuurwerkers lager in de hiërarchie geacht worden ‘neutraal’ te blijven om hun boterham veilig te stellen.
Protestillustratie getiteld ‘No Neutral Space’ tegen de groeiende investeringen in wapens ten koste van de cultuursector en andere sectoren (Collective Refusal, 2025).
Dit illustreert hoe culturele invloed, filantropie en politieke beïnvloeding de grenzen van een aanvaardbaar discours binnen Nederlandse culturele instellingen bepalen. Naarmate voortdurende bezuinigingen de publieke steun ondermijnen, wordt de kunstwereld steeds afhankelijker van juist deze machtige individuen en particuliere actoren, met finencieringsvormen die gepaard gaan met hun eigen ideologische verwachtingen en risico’s. Hun betrokkenheid kan een domino-effect hebben op de sector, waardoor de ruimte voor ethisch engagement wordt beperkt en de druk op kunstenaars en instellingen om zichzelf te censureren in naam van neutraliteit wordt versterkt. In die zin zijn zowel bezuinigingen door de overheid als particuliere sponsoring met elkaar verweven en bepalen ze de grenzen van wat er gezegd of getoond mag worden.
Coalities tussen tussen kunstenaars en activisten
erzet in het Nederlandse kunstveld is zelden effectief wanneer je het alleen doet. Maar het is ook een kwestie van wie je aantreft als bondgenoten. Het is niet nodig om je werkveld overhoop te gooien. De ethische dilemma’s die worden opgeworpen door krimpende begrotingen, monopolisering van platforms en de coöptatie van cultuur door de militariseringsagenda hebben mensen geïnspireerd om op een nieuwe manier coalities te bouwen tussen politieke organisaties, studentengroepen, activistennetwerken en kunstenaarscollectieven. Deze allianties laten zien dat principiële actie sterker is wanneer die gedeeld is, en dat collectieve strategieën de risico’s voor individuen kunnen verkleinen. Samen staan we sterker, en niet alleen als kunstenaars!
Een sprekend voorbeeld hiervan is de boycot van de muurschilderingenwedstrijd voor jongeren van de NAVO, gecoördineerd door Cultural Workers Unite, de KABK-studievereniging en het initiatief Resist NATO. Met de NAVO-top die in juni van dit jaar plaatsvond, positioneerde Den Haag zich als centrum voor gemilitariseerde diplomatie en profileerde de stad zich tegelijkertijd als een ruimte voor creatieve expressie. De muurschilderingenwedstrijd werd gepresenteerd als een kans voor jonge kunstenaars om in de openbare ruimte te werken, maar functioneerde als een klassiek geval van artwashing: het inzetten van creatieve arbeid om gemilitariseerde agenda’s te normaliseren.
De reactie van de coalitie keerde de situatie om. Kunstenaars werden aangemoedigd om anti-oorlogsontwerpen in te sturen naar de inbox van de wedstrijd en deze online te plaatsen, met de tag @thehaguestreetart en de hashtag #NoToNATO. Deze creatieve, gecoördineerde interventie zorgde voor zowel zichtbaarheid als een collectieve stem, waarmee werd benadrukt dat cultureel werk niet neutraal kan zijn wanneer het wordt ingezet om geweld te vergoelijken. Door collectief op te treden, verminderden deze groepen het individuele risico en vergrootten ze de impact, waarmee ze lieten zien hoe principieel verzet strategisch kan worden ingezet in de publieke sfeer.
VETO Oorlog protesteert ondertussen al jaren tegen de NEDS Arms Fair in Rotterdam. Het initiatief heeft consequent benadrukt hoe Nederlandse evenementenlocaties zoals Rotterdam Ahoy ruimtes worden waar cultuur en militarisering elkaar kruisen. De inspanningen van VETO Oorlog laten zien dat verzet niet beperkt blijft tot prestigieuze wedstrijden, maar ook kan bestaan uit langdurige campagnes die gericht zijn op systemische medeplichtigheid. Net als de boycot van de NAVO-muurschildering is dit werk gebaseerd op het smeden van coalities: kunstenaars, cultuurwerkers en activistische groeperingen verenigen zich om ethische interventies zichtbaarder en impactvoller te maken, waarbij ze benadrukken dat verzet het sterkst is wanneer het meerdere sectoren en tactieken omvat. Het protest tegen de NEDS-wapenbeurs van dit jaar benadrukt juist deze brede coalitie, waarbij Collective Refusal zich aansluit bij VETO Oorlog en Cultural Workers Unite, naast vele anderen.
Door collectief op te treden, verminderden deze groepen het individuele risico en vergrootten ze de impact, waarmee ze lieten zien hoe principieel verzet strategisch kan worden ingezet in de publieke sfeer.
Beide voorbeelden onderstrepen een belangrijke les voor het Nederlandse kunstecosysteem: principiële weigering gaat niet zomaar over individuele daden van verzet, maar over het bouwen van netwerken om instituties ter verantwoording te roepen. Wanneer studenten, opkomende kunstenaars, professionals en activistische groepen hun acties coördineren, creëren ze de kritische massa om instellingen, door de staat gesteunde programma’s en gemilitariseerde agenda’s uit te dagen, terwijl ze een gevoel van kameraadschap en lichtvoetigheid behouden. Deze coalities overbruggen de kloof tussen activisme en kunst en laten zien dat cultureel werk tegelijkertijd integriteit kan behouden, verantwoordelijkheid kan eisen en het veld kan ondersteunen als een plek voor kritiek in plaats van medeplichtigheid.
Collectieve actie als enige weg vooruit
et Nederlandse beeldende kunstlandschap maakt één ding duidelijk: neutraliteit is niet langer een veilige of ethische positie. Participatie zonder kritische blik brengt het risico op medeplichtigheid met zich mee, terwijl individuele weigering leidt tot persoonlijke en professionele kosten. De enige duurzame weg vooruit is een collectieve aanpak. Kunstenaars, culturele instellingen en activistische groeperingen moeten coalities vormen die een brug slaan tussen de wereld van de kunst en die van sociale rechtvaardigheid. Er zijn al een aantal voorbeelden van dergelijke initiatieven, maar er zijn er dringend nog veel meer nodig.
Coalities versterken tegengeluiden, verdelen risico en creëren zichtbaarheid voor principieel verzet. Wanneer kunstinstellingen samenwerken met kunstenaarscollectieven die weigeren te participeren in gemilitariseerde programma’s, vergroten ze hun ethische en strategische impact. Of het nu gaat om het boycotten van een NAVO-schilderwedstrijd, het demonstreren tegen een wapenbeurs, of de neutraliteit van grote musea in vraag stellen: gecoördineerde actie laat zien dat cultuur de frontlinie van aansprakelijkheid kan zijn in plaats van een middel voor artwashing.
Door solidariteitsnetwerken te bouwen en acties te coördineren kan het artistieke veld zijn integriteit behouden, coöptatie tegenwerken en cultuur waarborgen als een ruimte voor kritiek, reflectie en principiële interventies. Deze noodzaak om collectief op te treden ontslaat instellingen, zoals het Mondriaan Fonds, niet van hun verantwoordelijkheid om te voorkomen dat cultuurwerkers in een context terechtkomen waarin ze medeplichtig worden aan militarisering. Collectieve organisatie is juist de hefboom waarmee de sector dergelijke instellingen ter verantwoording kan roepen.
Uiteindelijk gaat het bouwen van coalities verder dan de tactische overweging: er zit een morele kant aan. In een landschap waar budgetten, platforms en financiering ons steeds verder een oorlogseconomie in trekken, terwijl ze tegelijkertijd proberen om onze ogen daarvoor te sluiten, zijn collectieve weigering en georganiseerde tegenwerking de enige manieren om te zorgen dat cultuur niet medeplichtig wordt aan geweld, en dat kunstenaars het vermogen behouden om ethisch, zichtbaar en effectief te handelen.
Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met Jacobin NL.
Vertaling: Hannah van Binsbergen
Over Alina Lupu
Alina Lupu is een schrijver en postconceptueel kunstenaar, geboren in Roemenië en wonende in Nederland. Ze onderzoekt de rol die beelden en performatieve acties spelen bij het uiten van solidariteit door middel van protest tegen kapitalistische hegemonie en precariteit. Protest heeft voor haar een vrij brede definitie: van burgerlijke ongehoorzaamheid tot petities, debatten en het opbouwen van antikapitalistische zorgstructuren, waarmee ze een reeks dialogen creëert over alternatieven voor uitbuitende systemen.
Ze is tevens bestuurslid van Platform BK.