R

Waarom Fair Practice niet meer werkt, en hoe het anders kan

We kijken kritisch naar Fair Practice: ooit een droom van onderaf, nu een beleidsinstrument van boven dat steeds meer weerstand oproept. Hoe kunnen de werkenden het begrip van Fair Practice weer opeisen?

22/04/2026




Een eerdere versie van dit artikel verscheen in Metropolis M (2025 / no. 6) in het Nederlands. Voor Platform BK is er ook een vertaling gemaakt in het Engels, door Danielle Voorthuis in samenwerking met de auteurs.

Het rommelt rond Fair Practice. Enerzijds wordt Fair Pay steeds normaler en hoeven cultuurmakers niet langer genoegen te nemen met de kruimels onderaan de begroting. Ze kunnen, gesteund door beleid, eerlijke betaling voor hun werk eisen, sinds naleving van de code in 2021 verplicht is gesteld voor gesubsidieerde kunstinstellingen, en afgelopen september nam de Tweede Kamer bijna unaniem – op de PVV na – een motie aan om de sector aan te sporen tot een bindend convenant voor eerlijke betaling.[1] Anderzijds klinkt er een steeds luidere oproep om de dwingende protocollen en betalingsnormen in de kunsten op te schorten, of op zijn minst te versoepelen. Waar Fair Pay de kosten voor cultuurproductie tot nieuwe hoogten drijft, verdwijnen aanbod, ruimte voor experiment, kansen voor nieuwe makers en het idee van een brede, inclusieve kunstwereld, zo luidt de kritiek.

In deze tekst gaan wij op zoek naar de wortels van deze kritiek in een cultuurbeleid waaraan wij zelf vol overgave hebben bijgedragen. De aanhoudende problemen bij de invoering en het afnemende draagvlak voor het meest concrete onderdeel van de code, Fair Pay, hebben onze overtuiging aan het wankelen gebracht. We vragen ons af: hoe bruikbaar is het begrip Fair Practice nog, nu het zoveel weerstand en verwarring oplevert? En wat is het alternatief?

De paradigmawissel
Om het Nederlandse Fair Practice-beleid te begrijpen, is het goed terug te gaan naar 2014. In dat jaar introduceerde de Amerikaanse organisatie W.A.G.E. (Working Artists and the Greater Economy) de eerste calculator voor kunstenaarshonoraria en een W.A.G.E.-certificering voor instellingen die zich daaraan houden. Zonder tussenkomst van een regulerende overheid ontwikkelden kunstenaars en instellingen zelf hun normen voor arbeidsverhoudingen. Nog in hetzelfde jaar maakten leden van de Belgische organisatie State of the Arts (SOTA) een Europese versie van het W.A.G.E.-model. Zij publiceerden een whitepaper over wat ze een ‘fair practice label’ noemden – en zo werd de term in de Lage Landen geboren.

Hoewel eerlijke betaling, kunstenaarsvergoedingen en transparante contracten een belangrijk onderdeel vormden van deze eerste invulling van ‘fair practice’, presenteerde SOTA een bredere set waarden. Naast solidariteit en sociale zekerheid ging het ook om ethische principes als transparantie in financiering, garanties op vrijheid van meningsuiting, ecologisch bewustzijn en diversiteitsbeleid binnen culturele instellingen. In de jaren daarna werd het begrip ‘fair practice’ overgenomen door cultuurwerkers in heel Europa. Eerlijke betaling werd daarbij steevast gepresenteerd als onderdeel van een fundamentele verschuiving in waarden, gericht op een sociaal rechtvaardig en niet-uitbuitend systeem van culturele productie. Het eindrapport van Reshape, een onderzoek naar eerlijke cultuurpraktijken met organisaties uit veertien Europese landen, noemt ‘fairness’ noodzakelijk voor de ‘paradigmawissel’ richting een nieuwe economische inrichting van de cultuursector.[2]

De kunstenaars, activisten en onderzoekers die betrokken waren bij Reshape, lieten zich inspireren door progressieve bestuurskundige modellen zoals sociocratie en holacratie (platte werkstructuur met teams), door burgerinitiatieven, door de heropleving van de ‘commons’ en door goede praktijkvoorbeelden zoals Pirate Care en Common Wallet. Daarbij werd er ook druk gespeculeerd over een alternatieve culturele economie, bijvoorbeeld de Fairy Purse: een speculatief model, waarin men op basis van een gedeelde bankrekening en collectieve zelfevaluatie een flexibel salaris uitkeert aan alle deelnemers. Het doel was niet alleen om herverdeling mogelijk te maken, maar belangrijker nog, om de deelnemers een gedeeld gevoel van eerlijkheid te bieden: eerlijke betaling in eigen hand. ‘Paradigmawissel’ is een groot woord voor dit bescheiden prototype, maar Fairy Purse illustreert wel degelijk goed waar fair practice in de kern om draait: een bottom-up streven naar systeemverandering, waarin eerlijke betaling belangrijk is, maar als onderdeel van een bredere poging om de culturele economie te hervormen.

Balans in de arbeidsmarkt
In Nederland is de term fair practice voor het eerst geïntroduceerd tijdens het Nederlands-Vlaams Theaterfestival in 2015. Belangenorganisatie Kunsten ‘92 pikte het op en ontwikkelde de Fair Practice Code, die in 2017 werd gepresenteerd aan de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Jet Bussemaker. Tegelijkertijd werd de Richtlijn Kunstenaarshonorarium ontwikkeld door BKNL, een overleg waartoe onder andere Platform BK, BBK, BOK, de Kunstenbond, De Zaak Nu, de Nederlandse Galerie Associatie en de Museumvereniging behoren. De gezamenlijke inzet vanuit het veld werd snel bijgestaan door acties vanuit beleidsmakers. In 2016 bracht de Sociaal-Economische Raad het rapport Passie Gewaardeerd uit waarin structurele problemen in de culturele arbeidsmarkt werden benoemd: vergaande flexibilisering, lage inkomens, gebrek aan verzekeringen en lage pensioenopbouw. De raad presenteerde ook een hervormingsagenda voor de arbeidsmarkt, die fair practice legitimeerde en beleidsvoorstellen opleverde op nationaal niveau.

Het resultaat van al deze ontwikkelingen is niet te onderschatten: vóór de invoering van de Richtlijn Kunstenaarshonoraria in 2017 had slechts eenderde van de musea een beleid voor kunstenaarsvergoedingen, twee jaar later (dus ruim vóór verplichtstelling van Fair Pay) was dit tweederde.[3] Daarnaast hielp de introductie van fair practice om het taboe op geld in de kunst terug te dringen. Kunstenaars kregen niet langer betaald wat er onderaan de begroting overbleef – en als dat wel gebeurde, begonnen ze zich daartegen uit te spreken, omdat ze hun arbeid als volwaardige arbeid gingen zien. Het Fair Practice-debat bleek bovendien een perfecte aanjager voor de organisatie van kunst- en cultuurwerkers. In 2018 verenigden 22 beroeps- en belangenorganisaties, vakbonden en auteursrechtenorganisaties zich in de Creatieve Coalitie, die nu gegroeid is naar 47 leden en daarmee zo’n 40.000 werkenden vertegenwoordigt.

De strategie die door economen in samenwerking met belangenbehartigers werd ontwikkeld, was gestoeld op de analyse van een imperfecte markt die gerepareerd moest worden. De schrijvers van het rapport Passie Gewaardeerd stellen: ‘[De problemen op de culturele arbeidsmarkt] houden onder meer verband met het feit dat vraag en aanbod op een inefficiënte manier bij elkaar komen. […] De intrinsieke drive van kunstenaars [leidt tot] overaanbod, met veelal ongelijke machtsverhoudingen en dalende prijzen als gevolg.’[4] Deze analyse vormt nog altijd het uitgangspunt voor het huidige fair practice-beleid. Het is in de ogen van veel beleidsmakers en vertegenwoordigers een instrument voor een ‘marktcorrectie’, waarbij marktregulatie zorgt voor een goede balans tussen vraag en aanbod, opdat eerlijke vergoedingen ontstaan en de arbeidsmarktpositie van makers wordt verbeterd. Maar juist deze visie is de oorzaak van de huidige spanningen rond Fair Practice.

Grenzen aan de markt
De discussie rond Fair Practice bereikte afgelopen voorjaar een kookpunt toen de nieuwe normbedragen van de Richtlijn Kunstenaarshonorarium werden bekendgemaakt, inclusief inflatiecorrectie en stapsgewijze verhogingen voor instellingen met een jaarlijkse omzet van respectievelijk meer dan €250.000, €750.000 of €1.500.000.[5] Het zorgde voor paniek bij musea en kunstpodia die halsoverkop hun begrotingen moesten herzien. Iedereen is het erover eens dat werken in de kunst eerlijk beloond moet worden, maar toen de normbedragen werden verhoogd, en in sommige gevallen zelfs boven het minimumloon kwamen te liggen, groeide de weerstand. De vertegenwoordigers van de musea en kunstpodia riepen de vakbonden terug naar de tekentafel. Consultants en economen werden ingeschakeld om alle belangen in kaart te brengen. Maar in het woud van tarieven, indicatoren, multipliers en differentiatiemodellen, raakte overeenstemming over hoe kunstproductie gewaardeerd moet worden, juist verder uit zicht.

Dit voorval toont dat overheden wel willen normeren en zodoende de stijging van productiekosten aanvaarden, maar dat ze niet willen opdraaien voor het financiële gat dat het gevolg is van hun beleid. Dat wil zeggen: er worden af en toe tijdelijke extra middelen vrijgemaakt om Fair Pay te stimuleren, bij wijze van verzachtend ‘transitiebudget’, maar als puntje bij paaltje komt, blijft de spreekwoordelijke boter bij de vis telkens uit. Structureel extra geld vanuit het Ministerie van OC&W kunnen we, zo blijkt, wel vergeten. Deze onwil om structureel te investeren wordt vaak uitgelegd als een budgettair ingegeven besluit, waarbij de minister of staatssecretaris goede sier kan maken zonder voor de kosten op te draaien. Maar het sluit ook naadloos aan bij de marktlogica die altijd al ten grondslag lag aan het Fair Practice-beleid zoals dat aan de beleidstafel gestalte kreeg. De overheid koestert het idee dat nieuwe normen en tijdelijke middelen professionalisering kunnen aanjagen, tot op het punt dat de sector op eigen benen kan blijven staan en alleen gezonde marktpartijen zich staande kunnen houden. Het idee is dat kunstmatige prijsbodems zorgen voor een lager productievolume met betere betalingen voor de makers. Zo komen vraag en aanbod dichter bij elkaar en ontstaat er als vanzelf een nieuwe, gezondere marktbalans.

Waarschijnlijk leeft bij de overheid ook de hoop dat er met de verplichting van Fair Practice een ‘fairtrade-effect’ optreedt. Het is bekend dat consumenten soms bereid zijn meer te betalen voor een eerlijk product, zoals bij de succesvolle ‘slaafvrije chocolade’ of, in ons geval, uitbuitingsvrije cultuur. Het is daarom niet ondenkbaar dat zo’n effect het financiële gat van Fair Pay kan dichten. Ook is het mogelijk dat instellingen en makers bij een lager productievolume meer tijd per productie hebben en dus hoogwaardiger, professioneler werk leveren. En dat allemaal binnen het bestaande publieke cultuurbudget. Echter, in het idee van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt ligt ook een andere, ongemakkelijkere discussie besloten. Als professionalisering en het fairtrade-effect niet voldoende blijken om de markt te repareren, als het aanbod hoger blijft dan de vraag, dan zal uiteindelijk het aanbod moeten worden teruggedrongen. In andere woorden, dan moet het aantal kunstenaars omlaag worden gebracht.

Dit zijn dus de beleidsdromen. Wat merken instellingen en kunstenaars daar in de praktijk van? Vooral dat er minder geproduceerd kan worden voor meer geld en dat er binnen het gesubsidieerde deel van de sector steeds minder ruimte is. In de meest recente subsidieronde werden bestaande budgetten herverdeeld, wat leidde tot minder organisaties die wel hogere subsidies ontvingen.[6] Hoewel er nog geen harde data bestaan over de uitstroom van zelfstandige werkenden in de culturele sector, is de intentie van overheden inmiddels wel duidelijk. Tijdens een polderoverleg waar wij bij aanwezig waren, sprak een vertegenwoordiger van Cultuur+Ondernemen over een “een waardig stervensproces” van overbodige werkenden.

Misschien dat sommige kunstenaars inderdaad uitstromen. Afgaand op de ervaring van pak-’m-beet honderd jaar autonome kunst is het echter aannemelijker dat kunstenaars terugvallen op een werkwijze die ze al te goed kennen: productie in een informele economie, waarin slecht- of onbetaalde arbeid wordt verricht in ruil voor zichtbaarheid en netwerk.[7] Fair Practice heeft veel van deze onzichtbare arbeid zichtbaar gemaakt, maar wordt nu steeds vaker gebruikt om een nieuwe scheidslijn te trekken tussen betaalde, ‘professionele’ arbeid en alles daarbuiten – werk dat niet professioneel genoeg zou zijn om te worden geïnstitutionaliseerd, en dus ook niet betaald hoeft te worden. Dit geldt zowel voor een groeiende groep makers die buiten de boot valt, als voor veel van de kleinere en meer experimentele kunstinitiatieven. Hoe ingewikkeld dit kan worden, blijkt uit de situatie van BAK: na het wegvallen van alle subsidies zette een zelforganiserend collectief de organisatie voort onder de naam Basecamp for Tactical Imaginaries. Daarmee botst het, als voormalige BIS-instelling, onvermijdelijk met de Fair Pay-standaarden. Is dit een bewonderenswaardige poging om de lokale sector inclusief en divers te houden, of een ondermijning van een gezonde markt? De vraag raakt de kern van de ambiguïteit van Fair Practice.

Tegenstrijdige interpretaties
De belangrijkste vakbondsvertegenwoordigers en economen blijven in ieder geval hameren op strikte naleving van vergoedingsrichtlijnen. Zij zien deze harde eisen als noodzakelijk tegengif voor uitbuiting en geloven dat de groeiende budgetkloof op de lange termijn zal leiden tot een sterkere onderhandelingspositie voor werkenden. Uiteindelijk kan de instelling immers niet zonder het werk van de maker. Bovendien, redeneren zij, worden zo de werkelijke kosten van cultuurproductie zichtbaar en zullen financiers (waaronder de overheid) eerder gemotiveerd kunnen worden om te investeren in een eerlijke arbeidsmarkt. Hoewel dit geen gekke redeneringen zijn, gaan ze voorbij aan een fundamentele vraag: wat bedoelen we eigenlijk met ‘eerlijk’, en wie bepaalt dat? Is Fair Practice het nastreven van een eerlijke markt óf het bieden van een eerlijke bescherming tegen de markt? En wie is verantwoordelijk voor de implementatie van Fair Pay? De overheid, de werkgever, of het veld zelf?

De groeiende onvrede over Fair Practice toont twee dingen aan. Ten eerste dat het begrip Fair Practice ergens in het traject van beleidsvorming is gekaapt door de neoliberale interpretatie die weinig overlaat van de oorspronkelijke grassroots ambities van alternatief bestuur en een fundamenteel andere culturele economie. En, ten tweede, dat het liberale vertrouwen in marktwerking en zelfregulatie niet werkt. Kunstproductie – of cultuur in bredere zin – laat zich niet herleiden tot een markt. Natuurlijk bestaat er een grote kunstmarkt waarin enorme geldbedragen omgaan, en waarin de vraag van musea, verzamelaars en andere kunstliefhebbers de waarde van kunstwerken tot grote hoogten kan opdrijven. Maar het publieke deel van de culturele sector functioneert niet volgens deze marktlogica van vraag en aanbod. Hier staan andere waarden centraal: maatschappelijke relevantie, artistieke ontwikkeling, toegankelijkheid en het recht op artistieke vrijheid, ook als daar (nog) geen duidelijke markt voor bestaat.

Het begrip Fair Practice heeft lange tijd goed gewerkt, maar loopt nu tegen zijn grenzen aan.

Wat te doen?
Het begrip Fair Practice heeft lange tijd goed gewerkt, maar loopt nu tegen zijn grenzen aan. Dat het begrip zacht van aard is, zorgde aanvankelijk voor een breed draagvlak, waarbij de verschillende belangen van werknemers, werkgevers en overheden ondergeschikt werden gemaakt aan een gedeeld ideaal van eerlijkheid. De vage definitie van ‘fairness’, zonder duidelijke economische onderbouwing, maakte het concept echter vatbaar voor uiteenlopende interpretaties: als marktcorrectie, als pijnlijk transitiemiddel of als eerste stap naar een alternatieve culturele economie. Gaandeweg werd de implementatie van het begrip daardoor gekaapt door neoliberale interpretaties.

Wij vinden dat belangenorganisaties hun conclusies zouden moeten verbinden aan de groeiende onvrede in het veld. Zolang Fair Practice verder wordt ontwikkeld zonder de onderliggende neoliberale logica van marktcorrecties ter discussie te stellen, dreigt het begrip zijn geloofwaardigheid te verliezen en de scepsis in het veld alleen maar te vergroten. Tegelijkertijd kunnen instellingen niet zomaar roepen om het loslaten van de eerder afgesproken normen, zonder alternatief te bieden. Terugvallen op de situatie van vóór dit Fair Practice-traject is immers evenmin een verbetering. Dus, wat te doen? We hebben twee suggesties.

Ten eerste: laten we eerlijk zijn over de echte kern van het probleem. We weten allang wat de werkelijke kosten van de huidige kunst- en cultuurproductie zijn en bovendien, dat het wel meevalt met die zogenaamde budgetkloof. Uit berekeningen van PPMC Economisch Advies (2023) blijkt dat eerlijke betaling in podiumkunsten, beeldende kunst en creatieve industrie samen ongeveer 35 miljoen euro per jaar extra zou kosten – oftewel slechts 0,023% van de Rijksbegroting.[8] Toch weigert de overheid dat bedrag structureel te dekken. Zo kan zij wel de publieke waarde van cultuur belijden, maar de financiële verantwoordelijkheid afschuiven op de ‘eerlijke’ markt. De inzet van de bonden om pijnlijk voelbaar te maken wat de echte kosten van cultuurproductie zijn, heeft hier tot nu toe weinig aan veranderd. Het probleem Fair Pay is dus geen financieringsprobleem, maar een legitimiteitsprobleem: de overheid voelt zich niet verantwoordelijk om de gevolgen van het eigen Fair Practice-beleid te dragen.

Dit brengt ons tot het tweede punt. We moeten blijven benadrukken dat kunst en cultuur publieke zaken zijn. Cultuurbeleid moet kunstenaars en instellingen beschermen tegen de markt, in plaats van ze erin te laten opgaan. Hoe zulk beleid eruit kan zien, toont Justin O’Connor in zijn prachtige boek Culture Is Not an Industry (2024). Hij pleit voor beleid dat cultuur erkent als onderdeel van de basisinfrastructuur: met investeringen in publieke instellingen, eerlijke lonen, en middelenverdeling via burgerraden – waarbij cultuurwerkers schouder aan schouder staan met verplegers, docenten en conducteurs. Wie dit al te idealistisch in de oren klinkt, hoeft enkel naar de zuiderburen te kijken om tegenbewijs te vinden. In België is in 2014 het ‘kunstwerkattest’ ingevoerd, waarmee zelfstandige kunstwerkers passende toegang krijgen tot een uitkering. (Jazeker, een hedendaagse variant van de oer-Hollandse BKR.) Een simpel, praktisch en zuiver middel om culturele arbeid in de basiseconomie te verankeren. Het zal niet eenvoudig zijn om iets dergelijks ook in Nederland voor elkaar te krijgen, gezien het guurrechtse politieke klimaat. Toch is het van groot belang om niet toe te geven aan de alleenheerschappij van de markt. Het kan, en moet, anders.


Sepp Eckenhaussen is onderzoeker en schrijver. Hij werkt bij het Instituut voor Netwerkcultuur en Caradt, een onderzoekscentrum van de St. Joost Academie.

Koen Bartijn is cultuurwerker en bestuurder. Hij werkt als artistiek leider bij Kunstinitiatief VHDG en is bestuurslid bij Platform BK en de Creatieve Coalitie.

Als co-directeurs van Platform BK waren ze van 2020 tot 2023 deelnemer aan Beeldende Kunst Nederland (BKNL), een overleg van belangenorganisaties in de beeldende kunst. Sepp Eckenhaussen onderhandelde mee over de Richtlijn Kunstenaarshonoraria 2.0. Koen Bartijn is bestuurslid van de Creatieve Coalitie en Platform BK, waar hij bijdroeg aan de ontwikkelingen van een mogelijk sectoraal convenant. Als artistiek directeur van kunstinitiatief VHDG is hij bovendien ook zelf verantwoordelijk voor eerlijk opdrachtgeverschap.


 

[1] Zie: Kamerverslag bindend convenant Fair Pay, https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2025Z16469&did=2025D38143

[2] Reshape: A Workbook to Reimagine the Art World. Brussel: RESHAPE Network, 2020. https://reshape.network/uploads/prototype_config/document/1/RESHAPE_A_Workbook_to_Reimagine_the_Art_World.pdf

[3] Totta Research & BKNL, ‘Richtlijn Kunstenaarshonorarium: Onderzoeksrapport,’ BKNL, 19 April 2018, https://bknl.nl/wp/wp-content/uploads/2018/04/Onderzoeksrapport-richtlijn-Kunstenaarshonorarium.pdf

[4] Sociaal‑Economische Raad (SER) en Raad voor Cultuur. Passie gewaardeerd: Versterking van de arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector. Advies 17/07 (april 2017). Den Haag: SER / Raad voor Cultuur, 31. https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/2017/passie-gewaardeerd.pdf 

[5] Richtlijn Kunstenaarshonoraria, ‘Richtlijn Kunstenaarshonoraria 2024’. Den Haag: BKNL, 2024. https://www.kunstenaarshonorarium.bknl.nl/

[6] Zie: Falke Pisano en Jack Segbars: ‘Het kunstsubsidiesysteem: oude oplopende en niet opgeloste spanningen’, Metropolis M, 9 februari 2025.

[7] Zie ook: Nous Faes, ‘Onvrije arbeid’, Metropolis M, 7 november 2023.

[8] Cijfers voor 2022. In andere jaren is het percentage in dezelfde orde van grootte. Zie: https://www.kunsten92.nl/rapport-fair-pay-dichterbij-meerkosten-van-fair-pay-in-de-culturele-sector-2022/ en https://www.rijksfinancien.nl/miljoenennota/2023/1468767.




Over Koen Bartijn

Koen Bartijn is cultuurwerker en bestuurder. Hij werkt als artistiek leider bij Kunstinitiatief VHDG en is bestuurslid bij Platform BK en de Creatieve Coalitie.