Platform Beeldende Kunst Column: de toekomst van de kunst in Noord-Brabant – Platform BK






F

Column: de toekomst van de kunst in Noord-Brabant

Afgelopen woensdag sprak Joram Kraaijeveld namens Platform BK een column uit tijdens Het gesprek: De toekomst van de kunst in Noord-Brabant. Een week voor de Statenverkiezingen organiseerden de Bredase kunstinitiatieven Club Solo en Witte Rook een gesprek met het kunstenveld en politici. Joram hield een pleidooi om te werken aan grotere sociale rechtvaardigheid, want naast een goed cultuurbeleid zijn er ook tal van andere beleidsterreinen die het bestaansrecht van de kunsten borgen.

● Joram Kraaijeveld
19/03/2019





Foto: Job Stribos

Graag wil ik beginnen met een disclaimer. Aangezien ik ben gevraagd iets te vertellen over de staat van kunst in Noord-Brabant, voel ik enig ongemak omdat mijn kennis over en verbinding met deze provincie beperkt is. Al ben ik vandaag in Tilburg geweest om met verschillende kunstenaars te spreken over betaalbare ateliers – betaalbaar naar hun inkomens – ik geloof dat de meeste van u hier aanwezig meer zijn ingevoerd in het provinciale kunstenveld, en zeker in de provinciale politiek. Wat ik vooral met u ga delen zijn mijn overtuigingen, mijn visie op het belang van kunst voor de samenleving en de onlosmakelijke verbinding tussen kunst en democratie. Misschien vlieg ik hier en daar uit de bocht, maar gelukkig bent u aanwezig om dit recht te zetten waar nodig.

Ik vertel u mijn verhaal aan de hand van een paar persoonlijke noten. In 2007 ben ik aan deze academie afgestudeerd met een BA of Fine Arts. Tijdens mijn studie heb ik meerdere keren in dit auditorium lezingen bijgewoond van Flip Bool, Hans Aarsman en Camiel van Winkel. Voor wie deze namen niets zegt: het zijn drie witte mannen van middelbare leeftijd waarvan er twee destijds lector waren aan de St. Joost. Ik kan me nog levendig herinneren hoe Flip Bool op deze plek over Hannes Wallrafen – de blindgeraakte fotograaf die desondanks nog fotografeerde – stond te vertellen. Hoe gekwalificeerd Camiel en Flip ook waren, het is goed te zien dat een van de lectoraten op deze academie sinds vorig jaar aangevoerd wordt door een vrouw.

Na mijn studie heb ik een jaar freelance bij het Van Abbemuseum in Eindhoven gewerkt, door velen gezien als het meest progressieve museum van Nederland. Echter, vorige maand berichtte Mama Cash dat in dit museum meer dan 80% van de tentoongestelde werken gemaakt is door een mannelijke kunstenaar.[1] Weinig verschil met alle andere musea in Nederland overigens, ondanks de Theodora Niemeijer Prijs die het Van Abbemuseum sinds 2012 enkel aan vrouwelijke kunstenaars uitreikt.

Nog een persoonlijke noot. Anderhalf jaar geleden was ik op bezoek bij het Stedelijk Museum Breda, dat toen recentelijk feestelijk heropend was. Vanuit mijn huidige functie als directeur van Platform BK had ik het museum aangeschreven dat het aantal vacatures voor werkervaringsplekken voor minimaal 32 uur per week en een periode van minimaal 6 maanden, met afgeronde HBO of WO opleiding, tegen slechts een vrijwilligersvergoeding én een leuke attentie op je verjaardag, met 5 wel erg hoog was. Ik had een constructief gesprek met de directie waarin we nader tot elkaar zijn gekomen en de vacatures zijn aangepast. De structurele afhankelijkheid van stagiairs en vrijwilligers binnen alle kunstinstellingen in Nederland blijft een moeilijke, gevoelige kwestie. Waar ligt de grens tussen geven en nemen, tussen afhankelijkheid en ondersteuning? Het is belangrijk voor organisaties zoals Platform BK om hier scherp op te blijven, want als net afgestudeerde verdien je bescherming, geen uitbuiting. Je zou maar net niet jarig zijn tijdens je werkervaringsplek, dan loop je – pak ‘m beet – zo 10% van je extra inkomen mis.

En een laatste noot met het oog op de Provinciale Staten verkiezingen van volgende week. In september 2017 bereikte mij het bericht dat de Statenfractie van de PVV aan de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant acht vragen stelde naar aanleiding van het kunstwerk Inflatable Refugee van het Belgische kunstenaarsduo Schellekens & Peleman, dat te zien was op het festival Graphic Matters hier in Breda. Misschien heeft u wel gezien hoe deze metershoge opblaasbare sculptuur de stad kwam binnen varen. Eén van de vragen luidde als volgt: ‘Deelt u de mening van de PVV-fractie dat het waanzin is om belastinggeld te verspillen aan het verheerlijken van de massa-immigratie?’ Tsja, hoe de framing van een vraag als deze te counteren? Als ik het mag zeggen: De reactie van de PVV-fractie is als die van een dolende Don Quichot die ten strijde trekt tegen windmolens. Tenslotte is de monumentale sculptuur van Schellekens & Peleman een opgeblazen vorm van aan elkaar genaaide stukken stof, die de nodige verbeelding vraagt om er een persoon in te zien, laat staan een symbool voor massa-immigratie. Dat juist de PVV met deze verbeelding komt en met holle retoriek reageert, houdt een zekere ontmaskering in, want waarom heeft de PVV deze angst voor massa-immigratie nodig?

Kunst kan een spiegel zijn, ook voor de moreel bankroete ziel. Met deze persoonlijke noten wil ik maar zeggen dat de staat van de kunsten in Noord-Brabant ook alles te maken heeft met de staat van de democratie in Noord-Brabant. En met deze noten hoop ik ook een aantal belangrijke actuele kwesties op tafel te leggen: de inkomenspositie van kunstenaars, het ontbreken van stemmen en kleuren in de kunstinstellingen, de menselijke uitputting die wordt veroorzaakt door een gebrek aan financiële middelen, solidariteit en sociale zekerheid, de uitholling van de kunstensector door het aura van de ondernemersgeest en het spook van de bezuiniging dat ons nog steeds achtervolgt, en niet te vergeten de morele apathie die in dit land heerst: oftewel het steunen op te simplistische weergaves van de realiteit om verandering tegen te houden, ook als het aankomt op cultuur en kunst.

Om deze prangende kwesties het hoofd te bieden, pleit ik voor een verduurzaming van de culturele sector op meerdere fronten: een verduurzaming van de arbeidsvoorwaarden, van de financiering van instellingen, van huisvesting en zeker ook van de plek van kunst en cultuur in de samenleving. Nu is duurzaam al enkele jaren een tendentieus modewoord dat wordt opgeworpen als oplossing voor van alles. Daarom is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen duurzaam en verduurzaming. Duurzaam is een label op een product dat al verouderd is voordat het bestaat. Duurzaam is stagnatie, is conservatief, is leven in het verleden. Verduurzaming zijn processen zonder einde, een streven naar voortdurende verbeteringen op basis van voortschrijdende inzichten, nieuwe wensen en idealen. Verduurzaming is progressief en gericht op de toekomst om het verleden recht te doen. Verduurzaming van de kunsten betekent dus niet nog zo lang mogelijk bewaren wat er is. Verduurzaming van de kunsten betekent inzetten op verbetering, op correcties van de arbeidsvoorwaarden, op vooruitgang van de financiering, op het bevorderen van de waardering van de kunsten, en op het ontwikkelen van de morele wil tot grotere sociale rechtvaardigheid en democratisering.

Het regioprofiel BrabantStad, dat op uitnodiging van minister van Engelshoven door gemeentes en provincie is gemaakt, zou een verduurzaming kunnen inhouden. Daarvoor is het wel nodig om de maatschappelijke velden van de kunsten en cultuur als een ecologie te begrijpen, in de zin dat alles met alles verbonden is. Dit geeft ruimte om de kunsten te zien als complexe, zelfsturende processen. Deze verduurzaming zou een verandering in gang kunnen zetten waarbij we het kunstenveld niet langer organiseren op basis van concurrentie tussen steden, organisaties of kunstenaars, of om aandacht en geld voor het meeste rendement op te leveren in de vorm van een tijdelijke boost die op de efficiëntst mogelijke wijze is georganiseerd. In plaats van deze kortstondige glorie zou er meer aandacht kunnen ontstaan voor de maatschappelijke processen die de kunsten met zich meebrengen, waarin volop ruimte is voor experiment en het onverwachte en waarbij culturele initiatieven steden, dorpen en buurten verrijken met pluriforme identiteiten en meerduidige vormen van gemeenschapszin. Kortom: de kunst als een democratisch proces.

Dat het regioprofiel BrabantStad de makers voorop stelt en de intrinsieke, sociale en economische waarde van kunst erkent, is een goede start. Ook is het goed dat BrabantStad erop inzet om huidige verbindingen te versterken en verder te ontwikkelen. Dit vraagt wel om langetermijninvesteringen zonder vooropgezette uitkomst. En dit vraagt om hoop, solidariteit, inclusiviteit en vertrouwen.

Deze zachte waarden komen grotendeels overeen met de waarden in de eerste versie van de Fair Practice Code. Deze ‘morele cao’, die in oktober 2017 is geïntroduceerd, is tegelijkertijd een aanvulling en een tegenreactie op de harde, meetbare cijfers en het economische denken van het cultureel ondernemerschap: het mantra van cultureel ondernemerschap dat iedereen tot concurrent maakt van elkaar en zo iedere vorm van solidariteit ondermijnt. Zolang deze economische en financiële kaders leidinggevend en richtinggevend zijn, blijft het iedere vorm van gemeenschappelijkheid tarten. Ieder ideaal van een culturele sector die we met elkaar kunnen delen en vermenigvuldigen, wordt aangetast door de kunsten te reduceren tot een randprogramma en door het reduceren van de kunstenaar tot ondernemer. Gelukkig wordt er in het regioprofiel BrabantStad een aanzet gedaan om het anders te zien, door de intrinsieke, sociale en economische waarden van cultuur met elkaar in verband te brengen. Echter, dat is niet genoeg.

In het document is nog onvoldoende wetenschap van de inbedding van de kunst en cultuur als maatschappelijke processen in een maatschappij met overheidsbeleid waarin de economische en financiële kaders nog steeds fier bovenaan staan. Met andere woorden, de doelen in het cultuurbeleid worden gedwarsboomd door de doelen in bijvoorbeeld het economisch of sociaal beleid. Dit is, denk ik, het grootste probleem voor de culturele sector. Hoe goed de intenties van het regioprofiel BrabantStad ook zijn, ik ben van mening dat er naast dit optimistische cultuurbeleid veel moet veranderen op andere beleidsterreinen waaronder vastgoed, onderwijs, sociaal domein, economische zaken, zorg, natuur en justitie om de ideeën en idealen die in dit document naar voren komen – over talentontwikkeling, internationalisering, cultuureducatie, en publiekswerking – te verwezenlijken.

Zolang kunstenaars door het vastgoedbeleid worden gebruikt om wijken te gentrificeren, zolang jongeren uit een lagere sociaaleconomische klasse door het onderwijsbeleid een te grote lening aan moeten gaan om naar een kunstacademie te kunnen gaan, zolang in het economische beleid grote bedrijven wel en kleine ondernemers niet in aanmerking komen voor internationaliseringssubsidies, zolang er geen collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering is voor zelfstandigen, zolang er geen collectieve vormen van pensioenopbouw zijn voor kleine ondernemers, zolang er geen ouderschapsverlofregelingen zijn die de lasten gelijk verdelen, zolang er geen scholingsfondsen zijn voor kunstenaars om na een carrière als danser of muzikant een ander beroep te kunnen uitoefenen en zolang mensen met een chronische ziekte het eigen risico van de zorgverzekering hun hele leven zelf moeten dragen, blijven we als maatschappij kansen mislopen, als culturele sector stemmen en kleuren missen, als kunstinstellingen uithollen, en als individuen werkend in de kunstensector creatief sappelen. Het is dus noodzakelijk om te beseffen dat het bestaansrecht voor de kunsten niet alleen geborgd wordt door cultuurbeleid.

Tal van beleidsterreinen oefenen invloed uit op de kunsten, vaak negatieve. Gelukkig worden er met de Arbeidsmarktagenda voor de culturele en creatieve sector door de sector zelf grote stappen gezet om het bestaansrecht van de kunsten binnen sociale en economische zaken te vergroten. Dit zijn allemaal zeer belangrijke en urgente zaken. Maar daarnaast zijn er tal van andere ontwikkelingen nodig om een grotere sociale rechtvaardigheid voor elkaar te krijgen. En hier, als het gaat over sociale rechtvaardigheid, grijpen kunst en democratie in elkaar. Want de kunsten gaan over representatie, over inclusie en over kritiek. De kunsten gaan over de wereld anders zien dan je voor mogelijk had gehouden. Deze mogelijkheid van de kunsten om niet zomaar de verbeelding in te zetten voor iets nieuws, maar om de meerstemmigheid, de meervoudigheid en de pluriformiteit te kunnen laten bestaan, dát is een mogelijkheid waar de democratie van afhankelijk is. En waar die meerstemmigheid wordt aangevallen of uitgesloten – kijk naar het werk van Schellekens & Peleman – daar staat ook de democratie onder druk.

Kortom: er is een hoop te doen, maar het is mogelijk. Het is een opgave die optimistisch stemt. Om deze inleiding voor het debat van vanavond af te sluiten, wil ik u graag nog een motto meegeven dat ik ontleen van de zwarte Amerikaanse denker en schrijver James Baldwin: ‘niet alles wat we onder ogen zien, is te veranderen, maar niets kan veranderen tot het onder ogen wordt gezien. Het is aan ons, het is aan u.’ [2]

 

[1] https://www.mamacash.org/en/women-in-arts-and-culture-severely-underrepresented

[2] https://www.idfa.nl/nl/film/253ba1c7-5032-4cc7-9d82-3a9d17d1131e/i-am-not-your-negro




Over Joram Kraaijeveld

Joram Kraaijeveld (1984) is inhoudelijk directeur bij Platform BK. Hij is zelfstandig curator, docent en schrijver. Kraaijeveld doceert kunsttheorie aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. In 2016 was hij curator-in-residence in Schloss Ringenberg. Eerder werkte hij als assistent-curator bij Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, als onderzoeker bij het Van Abbemuseum in Eindhoven en als gastcurator van een serie van tentoonstellingen met kunstenaar Jan Rosseel in De Brakke Grond in Amsterdam, Museum Dr. Guislain in Gent, en Stroom Den Haag.

GERELATEERDE ITEMS