Platform Beeldende Kunst WW#26 Voor wat hoort wat, maar wat dan precies? – Platform BK






N

WW#26 Voor wat hoort wat, maar wat dan precies?

Naar een ethiek voor publiek en privaat in een veranderde cultuursector.

30/05/2022




Het is al eerder vastgesteld: de grenzen tussen publiek en privaat in de kunstwereld zijn in beweging. Daaraan werden we vorig jaar herinnerd toen er discussie ontstond over de toekomstige kunsthal van de Hartwig Art Foundation, het filantropische vehikel van beursmiljardair Rob Defares. Een ‘cadeau voor de stad’, jubelden de betrokken wethouders. Frappant is wel dat de gemeente de huisvesting regelt. Voor een kleine 27 miljoen wordt het voormalig justitiegebouw aan de Parnassusweg gekocht. Dit roept de vraag op: is een cadeau nog een cadeau als de geschenkverpakking en de bezorging voor rekening van de ontvanger komen? Waarom werpt een gemeente zich op als weldoener voor de weldoener?

Het voorbeeld van de Amsterdamse kunsthal staat niet op zichzelf. Private belangen maken opmars in een veld dat in Nederland voorheen als publiek werd gezien en dat door publieke instellingen werd gedomineerd. Steeds meer verzamelaars en filantropen investeren in stenen, bouwen musea of kopen podia die voorheen publiek bezit waren. Toen selfmade bankier Dirk Scheringa in 1997 een museum opende, werd dat als een eigenzinnige gril van een eenling gezien. Nu worden er her en der in het land privémusea opgericht door steenrijke chemie-industriëlen, turn-around-managers, supermarktondernemers en andere Quote 500-leden. Daarnaast zijn ook particuliere vermogensvehikels in opkomst, zoals de fondsen Hartwig Art Foundation en Droom en Daad en half-filantropische half-commerciële beheermaatschappijen zoals Amerborgh, fondsen die kunstmusea, presentatie-instellingen en postacademische instellingen steunen en zelfs zelf nieuwe instellingen oprichten. Een ontwikkeling die vorig jaar door Timo Demollin voor Platform BK in beeld werd gebracht.

Een minder zichtbare variant is het ontstaan van presentatieplekken die aan de voorkant opereren als kleine publieksinstellingen, maar die aan de achterkant ingebed zijn in commerciële vastgoedontwikkeling, ruimtes die direct of indirect worden bekostigd door de vermenging met commerciële functies. Denk aan woningen, winkels, kantoren of horeca. Deze ontwikkeling wijst ook op een gedaanteverwisseling van de overheid zelf, die verandert van een bouwer in een ‘broker’ – of in beter Nederlands, een bemiddelaar. In het stedelijk beleid sluimert nog een verdunde versie door van het sociaaldemocratische idee dat cultuur een vitale verheffende functie heeft en thuishoort in stedelijke ontwikkeling. Maar de stad heeft niet meer de middelen, het planningsapparaat en misschien ook niet meer de wil om wanneer het haar behaagt ergens een museum of cultureel centrum ex nihilio uit de grond te stampen. Zo is de creatie van ruimtes voor cultuur steeds vaker afhankelijk van clausules in tenders en wisselgeld in de onderhandelingen tussen overheden en marktpartijen, die op hun beurt weten dat de zaken een stuk vlotter gaan wanneer een plan een maatschappelijke of culturele meerwaarde heeft. Social return of investment, heet dat in goed Nederlandse beleidstaal. Saillant is dat deze nieuwe plekken voor de kunst vaak gesitueerd zijn in wijken waar een grotere transitie van publiek bezit naar privaat bezit plaatsvindt, omdat sociale woningbouw er per strekkende kilometer op de markt wordt gezet.

Zonder te willen vervallen in cynisme en elk particulier initiatief te brandmerken als ‘fout’, denk ik dat deze ontwikkeling kritisch gevolgd moet worden. Het probleem is niet zozeer dat private partijen zich steeds duidelijker manifesteren in de kunsten. Het probleem is dat we er niet goed in slagen om een ‘ethiek’ te mobiliseren om deze ontwikkeling te lezen, toetsen en sturen. Dat komt omdat het vanaf de zijlijn niet altijd meer duidelijk is hoe de grens tussen publiek en privaat nu precies loopt, en of er überhaupt nog wel sprake is van een grens. Er zijn publieke instellingen die met toewijding de voortschrijdende privatisering smeren, en private spelers die broodnodige nieuwe ruimtes voor publiek debat creëren. Publieke partijen worden succesvoller in het aanwerven van privaat geld, maar andersom zijn private projecten ook op talloze manieren verbonden met publieke geldstromen en agenda’s.

Soms is de situatie zo complex dat verstrengeling en verwijdering tussen publiek en privaat op magische wijze samenvallen. Een bekend Rotterdams museum ligt publiekelijk in de clinch met een filantropische miljardairsfamilie omdat het geen plekken in de raad van toezicht wil afstaan in ruil tegen twee schenkingen van elk veertig miljoen. Schande! Tegelijk werkt hetzelfde museum innig samen met dezelfde miljardairsfamilie aan een semipubliek spiegelpaleis, de publiek-private natte droom par excellence. Snapt u het nog?

Geschenken hebben iets magisch, zowel om te geven als om te ontvangen. Dus wat dat betreft is het geweldig dat overheden en marktpartijen tegenwoordig grossieren in wederzijdse presentjes. Maar laten we niet naïef zijn. De antropoloog Marcel Mauss schreef over geschenken dat ze vrijblijvend ogen maar vaak niet zijn. Een geschenk kan een claim op de ontvanger leggen, omdat er de impliciete verplichting van een wederdienst is. Het principe ‘voor-wat-hoort-wat’ bestaat ook in de nieuwe geefcultuur. Maar het ‘hoort-wat’ blijft vaak buiten zicht, omdat we niet gewend zijn om van private partijen die zich in het publieke veld manifesteren ‘public accountability’ te eisen. In een nieuwe ethiek om vat te krijgen op het veranderende heden, is dat een minimale eis. Bij publiek handelen hoort publieke verantwoordelijkheid, om te voorkomen dat private belangen de publieke zaak kunnen beschadigen.

Deze column werd door de auteur voorgedragen tijdens het symposium ‘De staat van mecenaat‘. Delen van deze column zijn gebaseerd op artikelen van de auteur die in het tijdschrift Metropolis M verschenen: ‘Brood en spelen: Kunst als schakel in het vastgoedbedrijf’, Metropolis M (2022) 1, pp. 81-86; ‘De kunstruimte als vastgoedinvestering. Waarom projectontwikkelaars zich op culturele nieuwbouw storten’, Metropolis M (2020) 1, pp. 32-34.




Over Roel Griffioen

Roel Griffioen is onderzoeker en freelance journalist. Hij promoveert aan de Universiteit Gent en schrijft als journalist over kunst- en architectuurtheorie en de politiek van stedelijke planning.