Platform Beeldende Kunst We wisten niet wat ons overkwam – Platform BK






C

We wisten niet wat ons overkwam

Precaire praktijken #1. Hoe het hardnekkige idee van de autonome kunstenaar nog steeds de kunstacademie beheerst.

24/04/2020




Het is 2020. Onder hen die jong genoeg zijn het te geloven, leeft nog steeds het vreemde idee dat je naar de kunstacademie gaat om vrijheid te ervaren. Ook het publiek krijgt dit idee nog steevast voorgeschoteld tijdens open dagen. Ik snap de aantrekkingskracht ervan wel. Het zou toch moeten kunnen om de voortgang van het leven een paar jaar uit te stellen, vier bijvoorbeeld, om je even geen zorgen te hoeven maken over de eisen van de markt die al zoveel van ons dagelijks leven beheerst. Vier jaar zaligheid! Maar klopt dat idee nog wel, zoals het iets meer dan een halve eeuw geleden klopte? Wat is er de afgelopen decennia voor kunstvakstudenten veranderd?

Laten we zeggen dat je een paar decennia geleden naar de kunstacademie ging. En laten we zeggen dat je dat in Nederland deed, een land dat zich na de Tweede Wereldoorlog wederopbouwde tot zoiets als een sociale utopie. Je hoefde weinig tot niets te betalen voor je opleiding. Misschien kreeg je zelfs een beurs. En wat gebeurde er als je afstudeerde, na deze tijd van vrijheid? Tussen 1956 en 1987 zou je in de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) gerold zijn, wat betekende dat je een vast inkomen zou krijgen van de overheid in ruil voor diensten of kunstwerken. Voor de BKR was er de Contraprestatieregeling (1949-1956), erna de Wet Werk en Inkomen. Onder elk van deze drie regelingen zou je de voordelen van je diploma hebben ervaren in de vorm van een basisinkomen in de eerste paar jaar na je afstuderen. Je zou minder druk van de markt, minder noodzaak om je te confirmeren en dus meer ruimte voor experiment hebben ervaren.

2012, het jaar dat ik van Roemenië naar Nederland migreerde om te studeren, was het moment dat de traditie van voorgenoemde ondersteuningsregelingen voor eens en altijd werd afgesloten. Deze werd ingeruild voor een heel scala aan subsidies, die allemaal worden verstrekt op basis van verdienste en gedwee de regels van marktconcurrentie volgen. Net iets voor mij, aankomen op zo’n moment. Ironisch genoeg moeten de mensen die verantwoordelijk waren voor het beëindigen van de traditie van ondersteuning heel goed op de hoogte geweest zijn van het feit dat kunstenaars zonder deze ondersteuning in grote precariteit zouden leven en werken. In een parlementaire enquête over de Wet Werk en Inkomen uit 1996 staat te lezen:

[Het is] voor kunstenaars niet eenvoudig om gedurende hun gehele carrière zelfstandig in het eigen levensonderhoud te voorzien […] De markt voor kunstenaars is moeilijk vergelijkbaar met de markt voor industriële produkten. Vaak gaat het om unica, of produkten met een beperkte reproduceerbaarheid. Bovendien gaat het aanbod veelal aan de vraag vooraf. Het individuele karakter van kunst maakt dat de kunstenaar zijn/haar eigen markt moet creëren. Er is in algemene zin wel een markt voor kunst, maar daarmee nog niet voor zíjn kunst.

Terug naar de eenentwintigste eeuw. Je bent afgestudeerd, of hebt door een of ander wonder de hand weten te leggen op een BA of MA van de kunstacademie. Maar dat is niet langer voldoende om je carrière te verzekeren. Vandaag de dag moet je vanuit de zogenaamde vrijheid van het onderwijs meteen de klauwen van de ‘echte wereld’ in duiken, vrijwel zonder voorbereiding. Zelfs als er nog een beetje ondersteuning is voor kunstenaars, altijd minder dan vroeger natuurlijk, moet je door de brandende hoepels van de markt springen om ervoor in aanmerking te komen. Toch zit dat aantrekkelijke idee van de autonome jonge kunstenaar nog in je kop. En daar zit je zit met de contradictie. Aan de ene kant ben je een van de gelukkigen die überhaupt kunstenaar kunnen zijn. Aan de andere kant is al onze bescherming weggenomen en hebben we het er maar mee te doen. Ondertussen dromen onze voorgangers van de goede oude tijd en bedekken hun oren om onze uitroepen van teleurstelling niet te horen.

We zoomen in op de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Als je de naam ‘Rietveld’ in een gesprek noemt, terloops opmerkt dat je er gestudeerd hebt, kun je de verandering op de gezichten waarnemen. Het verandert de manier waarop mensen naar je kijken, want de school heeft nogal een goede reputatie – zeker onder de locals. (Zelfs als je nooit een voet in de academie hebt gezet, raad ik je het sociale experiment aan om jezelf eens alumnus te noemen. Gewoon uit nieuwsgierigheid.) De Rietveld staat erom bekend jaarlijks honderden afstudeerders los te laten op de wereld, die hun geluk zullen wagen in de kunst- en ontwerpwereld. Afgelopen decennia komen steeds meer van deze afstudeerders uit het buitenland. Ik ben een van hen.

Dat lijkt het perfecte begin van een carrière, toch? Maar er blijkt een ongeschreven regel te zijn aan de Rietveld Academie, dat aan studenten geen praktisch onderwijs in professionele competenties gegeven dient te worden. Dit taboe houdt het romantische idee in stand dat kunstenaars vrij zijn, ongehinderd door de realiteit, vrij van economische lasten, bla, bla, bla. (Deze ideeën vallen bij de studenten trouwens goed in de smaak, want, fuck yeah, ze zijn vrij!) De enige vorm van professionalisering in het curriculum is de Future Market: een stuk of wat marktkramen in de entreehal van de Rietveld, waar fondsen, lokale residentieprogramma’s en verstrekkers van leningen een middag lang hun flyers uitdelen. Vertegenwoordigers van de aanwezige instellingen prijzen hun waren aan en beantwoorden eventuele vragen. Publiek debat is geen onderdeel van het format. Veel belangstelling onder studenten is er ook niet. Al met al is de Future Market vooral een vreemde decoratie van de entreehal, totdat de zaak weer wordt opgebroken.

Mocht je in opleiding zijn tot beeldend kunstenaar aan de Rietveld, dan zal er dus geen verdiepend gesprek zijn over fondsaanvragen, residenties, of het maken van je portfolio. Bovendien wordt er niet gesproken over de ethische keuzes die komen kijken bij het maken en verdelen van artistiek werk, of over het verkrijgen van financiële geletterdheid. Hierdoor zetten veel alumni ongewild de traditie van (zelf)uitbuiting in de kunsten voort. Denk hierbij aan onbetaalde stages bij winstgevende bedrijven, of het gratis helpen in de opbouw van tentoonstellingen van docenten. Denk aan het werken met onzekere en onchristelijke werktijden, zonder precies te weten hoe je die uren aan het eind van de maand in rekening moet brengen, of dat je als kunstenaar überhaupt een vergoeding voor je werk hoort te vragen. Op de Rietveld wordt meer nadruk gelegd op het maken zelf, ‘aan het werk gaan’, en op het bevragen van hoe je werkt. Blijkbaar zijn we een stel kinderen dat vier jaar mag aanmodderen, totdat de realiteit dan uiteindelijk toch inslaat. En we gaan uiteindelijk stilletjes akkoord met deze gang van zaken. Misschien kijken we nog even om naar onze ouders, die gratis studeerden, huizen kraakten, op financiële steun van de staat konden rekenen en geen schulden maakten. Dan huilen we.

Ik heb geprobeerd pragmatische gesprekken op gang te brengen in mijn tijd op de Rietveld, maar zonder succes. In het voorjaar van 2019 durfde ik het aan om te pleiten voor een gesprek over professionalisering. Dit had tot resultaat dat mijn bijdrage werd geannuleerd. Ik nam ten onrechte aan dat de Rietveld Academie er klaar voor is om de praktische realiteit van het kunstenaarsbestaan onder ogen te zien. Dit deed me de academie op een ander niveau bevragen. Is de Gerrit Rietveld Academie het laatste bastion van artistieke autonomie? Kan het zijn onafhankelijkheid alleen beschermen door het buiten de deur houden van (het bespreken van) de markt? Of is men hier in de ontkenning geschoten over de materiële omstandigheden van kunstenaars in binnen- en buitenland? Of, om nog een stap verder te gaan, zijn ze bewust bezig onze carrière te saboteren door ons in het duister te laten tasten over de mogelijkheden binnen het veld en de kansen die ze zullen krijgen – om winst te maken?

Daarnaast: zijn studenten zich bewust van hun positie? Een paar maanden geleden kwam ik een vriend tegen in een museum te Amsterdam. We wachtten allebei op het begin van een lezing, of hingen nog rond na het einde ervan. We stonden te kletsen in het grote atrium van het museum, naast de koffielounge en de boekwinkel, en leunden gracieus op de garderobebalie. Ik, een nog jonge kunstenaar, zij, een eerstejaarsstudent op een gerenommeerde kunstacademie (zie bovengenoemd). Ze leek inderdaad niet erg blij met de omstandigheden van haar opleiding. Gehard door het professionele leven vroeg ik haar: ‘Waarom verzet je je niet tegen de beperkingen van je positie? Waarom bevraag je de status quo niet?’ Ze bracht een gesprek ter sprake dat ze met haar vader had gehad. Tip van de sluier: vorige generatie. Hij had zijn dochter verteld dat ze zo vrij kon zijn als ze zelf wilde. Ze werd nu financieel ondersteund door haar ouders, maar bij het vormgeven van haar zelfstandige toekomst moest ze vooral bedenken wat voor levensstandaard ze wilde hebben.

Een van mijn favoriete kunstwerken is Cassidy Toners Shooting Myself in the Foot (with Azurite Healing Crystal Toe Ring) (2018). Het werk is een met lazer uitgesneden stalen silhouet van een voet, bevestigd aan een schietschijf en meermaals beschoten met stalen kogels. Het vat perfect de glitter en glamour van onze ‘levensstandaard’ samen, inclusief teenring en zelfondermijning. Eén ding mist in het werk: de teleurstelling van hen die niet het geluk hebben onze levensstijl na te kunnen jagen. Het is misschien tijd om ons te bezinnen op wat kunsteducatie moet zijn en om de regie over te nemen.

Ondertussen is het april 2020. De revolutie komt eraan. Maar ondanks de urgentie die de coronacrisis in Nederland sinds half maart teweegbrengt, is het niet zo’n simpele revolutie als je misschien zou verwachten.

In de laatst week van maart werd er door studenten van het Sandberg Instituut, het aan de Rietveld gelieerde MA-programma, een protestbrief geschreven. Hierin eisen studenten, gesteund door docenten en de studentenvakbonden die afgelopen jaren als paddenstoelen uit de grond schoten, dat de leiding van de instelling verantwoording aflegt over het overhaaste voortzetten van lessen via online platforms. Ze vroegen mee te kunnen praten over de crisismaatregelen. Ze vroegen om uitstel van het academische jaar en weigerden hun afstudeertentoonstelling online plaats te laten vinden. Ze vroegen om het terugbetalen van collegegeld, mocht de academie tot de zomervakantie dicht blijven, omdat studenten dan geen gebruik meer kunnen maken van de faciliteiten en dus de facto niet door kunnen studeren. Ze vroegen om begrip voor de problemen van de internationale studenten en het feit dat veel studenten het land moesten verlaten om bij hun familie te zijn. Ze vroegen om begrip voor het feit dat de pandemie het moeilijk maakt focus te vinden. Dit zijn geen omstandigheden waarin je zomaar vanuit huis kunt gaan werken. Het onderwijs kan en mag niet zomaar naar de digitale sfeer verplaatst worden, terwijl iedereen de reden van deze wijziging vergeet en doet alsof er niets aan de hand is.

De brief was getekend 30 maart 2020. Hij kwam per abuis in mijn inbox. Hij slipte door de mazen van een benauwde nieuwsbrief, ik neem aan omdat degene die de nieuwsbrief maakte uitgeput was. De brief was niet als openbaar bedoeld, maar bewees voor mij dat er solidariteit was onder de wanhopenden. Hij gaf aan dat er een van onderaf geïnitieerde tempowisseling bezig was.

Op 31 maart ging de studentenraad van de Rietveld Academie en het Sandberg Instituut een stap verder. Ze zochten dit keer de openbaarheid en namen hun verantwoordelijkheid in de crisis. Ze publiceerden een korte handleiding met tips voor internationale studenten, kunstenaars en kunstwerkers in Nederland. In dit document werd het taboe op professionele competenties gebroken, door te onderkennen dat wat studenten in een tijd als deze echt nodig hebben het antwoord is op vragen als: wat is een freelancer? Wat is een nul-urencontract? Wat voor hulp biedt de overheid in ze crisis? Wat moet je doen als je contract niet verlengd wordt? Wat is de bijstand en hoe kan ik er aanspraak op maken? Hoe kan ik juridische hulp krijgen? Enzovoort.

Studenten waren in het land van afgebroken contracten, inkomensderving en dakloosheid gekatapulteerd. Onder deze omstandigheden vertegenwoordigde de kennis in de handleiding echt macht. Voordat deze handleiding er was, was de enige gepubliceerde reactie op de crisis een filmpje met aanmoedigende maar abstracte teksten over solidariteit onder beelden van een lege Academie.

Toen brak 1 april aan. (De tijdlijn die ik maak is eigenzinnig, maar het kan de moeite waar zijn je af te vragen of de bestuurders van instellingen ook een oog hielden op de studenteninitiatieven die zich afzetten tegen de druk om zich aan te passen en productief te blijven.) Het Sandberg, of eigenlijk het bureau communicatie van Het Sandberg, stuurde een nieuwsbrief aan zijn volgers – ik neem aan dat studenten en docenten daarbij zitten – waarin het zijn ‘Huisgemaakte Routines’ aankondigde:

‘Hoe schilderen, kletsen, rekken, koken, lezen, kijken, bouwen we prototypes, hoe maken we schoon, hoe administreren we en dromen we in een tijd van social distancing? Een groeiend aantal activiteiten van kunstenaars en ontwerpers, elke woensdag gratis te zien op de Sandberg Instituut Instagram-pagina, tonen een ander ritme en een andere concentratie voor onze gedragingen van het huis.’

Daarbij hoort:
08:00 – Schoonmaken
10:00 – Schilderen
11:00 – Administratie
13:00 – Kletsen
15:00 – Prototypes bouwen
16:00 – Rekken
17:00 – Koken
20:00 – Lezen
21:00 – Kijken
23:00 – Dromen

24/7 blijven produceren.

Ondanks de crisis, de verwarring, het verzet en de solidariteit is de post-autonome kunstenaar blijkbaar geen rust gegund, eindeloos genaaid als hij of zij of hen is door de neoliberale noodzaak van presentie, flexibiliteit en aanpassingsvermogen aan de precariteit. En met een glimlach, alsjeblieft.

Liever dan proberen altijd zichtbaar te zijn en ons te laten drijven door FOMO, en ondanks de roep om terug te keren naar het normale leven, zouden we moeten kijken hoe het oude normaal kunststudenten en toekomstige kunstenaars tot precaire subjecten maakte. Het is belangrijker dan ooit om in de ruimte voor verandering die nu ontstaat, hoe klein ook, in actie te komen en te verwerpen wat geweest is.




Over Alina Lupu

Alina is geboren en getogen in Roemenië. Als schrijver en kunstenaar werkt ze in Nederland. Ze heeft gewerkt voor Deliveroo, Helpling, Foodora, Uber, Thuisbezorgd, Hanze Groningen, Willem de Kooning Academie, de Taart van m'n Tante en Poké Perfect Amsterdam. Haar pensioen zal waarschijnlijk iets meer dan 2 euro per maand bedragen. Haar werk is doorgedrongen tot: W139, Amsterdam; Onomatopee, Eindhoven; Drugo More, Rijeka; Rheum Room, Basel; European Lab, Lyon; en Diskurs, Giessen. Ze is op dit moment werkloos.


GERELATEERDE ITEMS