Platform Beeldende Kunst Hoe precair is het werk in de cultuursector? – Platform BK






D

Hoe precair is het werk in de cultuursector?

Precaire praktijken #4. Over het beeld dat de cijfers tonen en welke kwalitatieve inzichten we daaruit af kunnen leiden.

16/07/2020




Onlangs publiceerde het CBS een artikel met cijfers over cultuur, sport en recreatie.[1] Hoewel deze cijfers niet nieuw zijn, maken ze wel duidelijk hoe kwetsbaar de arbeidsmarkt binnen de culturele en creatieve sector te midden van deze coronacrisis is. Niet eerder was het aandeel eenmanszaken zo hoog als op het moment dat de cultuursector halverwege maart de deuren moest sluiten. Wat vertellen zulke cijfers ons over arbeidsverhoudingen in de cultuursector? En waarom is dit juist nu een belangrijk onderwerp?

Naar aanleiding van deze vragen spraken Claartje Rasterhoff en Bjorn Schrijen met kunst- en cultuurfilosoof Thijs Lijster over de culturele arbeidsmarkt voor en na corona. Zoals cultuurmakers met hun beroepspraktijk model stonden voor arbeidsorganisatie in de afgelopen decennia, kunnen ze nu misschien een voortrekkersrol spelen in de ontwikkeling van alternatieve organisatievormen, zoals collectieve verbanden  en zelforganisatie.

De cijfers

Eerst de cijfers. Als we naar de deelsectoren kijken die in de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het CBS tot de categorie ‘Kunst’ gerekend worden, dan blijken er in het tweede kwartaal van 2020 88.620 bedrijven binnen deze sectoren actief te zijn. 83.520 van deze bedrijven zijn eenmanszaken, ofwel 94,2 procent.[2] Ook als we een beduidend ruimere afbakening van de culturele en creatieve sector maken zoals in Tabel 1, blijkt het aandeel eenmanszaken erg hoog.[3]

Tabel 1: Overzicht van bedrijven en eenmanszaken in de culturele en creatieve sector, tweede kwartaal 2020. Bron cijfers: CBS, ‘Bedrijven; bedrijfstak’ (brede selectie culturele en creatieve sector), CBS, 15 april 2020, www.opendata.cbs.nl, op basis van afbakening culturele sector uit CBS, Cultuur in beeld 2018.

Het aandeel eenmanszaken binnen de culturele en creatieve sector is altijd al hoog geweest – en gezien de individuele praktijk van makers ook niet geheel onlogisch – maar sinds het begin van deze cijferreeks in 2007 is het aandeel onmiskenbaar verder toegenomen. Bovendien is het aandeel eenmanszaken in de culturele en creatieve sector aanzienlijk hoger dan in de gehele economie, waar op dit moment 78 procent van alle bedrijven een eenmanszaak is.[4]

 

Figuur 1: Ontwikkeling van het aandeel eenmanszaken in de culturele sector, 2007-2020 (%). Bron cijfers: CBS, ‘Bedrijven; bedrijfstak’ (brede selectie culturele en creatieve sector), CBS, 15 april 2020, www.opendata.cbs.nl en CBS, ‘Bedrijven; bedrijfstak’ (gehele economie), CBS, 15 april 2020, www.opendata.cbs.nl, op basis van afbakening culturele sector uit CBS, Cultuur in beeld 2018.

Door het hoge aantal eenmanszaken in de cultuursector, zijn er ook bovengemiddeld veel mensen die als zelfstandige hun inkomen verdienen. In 2016 waren er binnen de sector 124.560 zelfstandigen en 146.490 werknemers.[5] Dat anno 2020 circa de helft van iedereen die in de culturele en creatieve sector werkt dit als zelfstandige doet, lijkt op basis van deze en eerdere CBS data dan ook een redelijk veilige aanname. Daarmee ligt het aandeel zelfstandigen in de culturele en creatieve sector een stuk hoger dan in de gehele economie, waar eind 2019 16,7 procent van de werkzame beroepsbevolking (primair) zijn inkomen als zelfstandige verdiende.[6]

Als we Thijs Lijster – auteur van Verenigt u! Arbeid in de 21ste eeuw (2019) – de cijfers voorleggen, tekent hij meteen aan dat zelfstandigen niet per definitie economisch kwetsbaar zijn. Het is goed mogelijk om financiële zekerheid te creëren vanuit zelfstandig ondernemerschap, en bovendien kan zelfstandig werken juist bijdragen aan gevoel van autonomie en controle. Zelfstandigen zijn daarnaast niet de enige groep werkenden die mogelijk kwetsbaar zijn in deze crisis. Ook werknemers met een tijdelijk of flexibel contract in de cultuursector kunnen snel in financiële moeilijkheden komen wanneer werkgevers door omzetverlies, vraagderving of onzekerheid hun contracten niet verlengen. Eind 2018 had 26,7 procent van alle werknemers in Nederland een dergelijke flexibele arbeidsrelatie. Binnen de sector Cultuur, Sport en Recreatie bedroeg dit aandeel 42,6 procent: op horeca na (62,0 procent) het hoogste van alle hoofdklassen in de SBI.[7]

 

Tabel 2: Aandeel werknemers met een flexibele arbeidsrelatie onder alle werknemers, in de gehele economie en de sector Cultuur, Sport en Recreatie, 2003-2018 (%). Bron cijfers: CBS, ‘Werkzame beroepsbevolking; bedrijf’.

Wanneer we de kwetsbaarheid van deelnemers aan de culturele arbeidsmarkt proberen in te schatten, moeten we dus niet alleen kijken naar de arbeidsrelatie, maar ook naar hoe deze interacteert met sociale arrangementen en andere dimensies van bestaanszekerheid. Sociologen, economen en filosofen duiden werk dat geen of onvoldoende bestaanszekerheid biedt, steeds vaker als precair werk. De nadruk ligt hierbij op hoe arbeidsverhoudingen zijn georganiseerd, wie daar baat bij heeft, en wie niet, en hoe precariteit kan helpen vormen van schijnzelfstandigheid en (zelf)uitbuiting bloot te leggen. Lijster wijst op het werk van econoom Guy Standing, die verschillende vormen van arbeidszekerheid onderscheidt. In zijn boek The Precariat: The New Dangerous Class (2011) onderscheidt Standing ook zekerheid in de bestendigheid van kennis en vaardigheden, en zekerheid in zeggenschap over je positie en representatie in (politieke) onderhandelingen.[8] Als we deze laatste dimensies toepassen op creatief werk, kun je volgens Lijster stellen dat individuele creatieve arbeid ook precair wordt doordat de sector als geheel precair is als gevolg van teruglopende en onzekere publieke financiering.

Laten we naast het soort arbeidsrelatie en het contracttype ook eens  naar de lonen en sociale zekerheid kijken. Gemiddeld genomen zijn de lonen in de cultuursector aanzienlijk lager dan in de gehele economie. In 2018 bedroeg het gemiddelde uurloon binnen de SBI-code ‘Cultuur, sport en recreatie’ 20,47 euro, tegenover 22,69 euro in de gehele economie. Wanneer dat wordt doorgetrokken naar een maand- en jaarloon, verdient een cultuurwerker gemiddeld 729 euro per maand en 11.080 per jaar minder dan een gemiddelde werknemer in Nederland.[9] Alleen in de horeca en de sector ‘Verhuur en overige zakelijke diensten’ wordt op jaarbasis minder verdiend.[10] Ook zelfstandigen binnen de sector ‘Cultuur, sport en recreatie’ hebben een veel lager inkomen dan collega’s in andere sectoren: het gemiddelde persoonlijke jaarinkomen lag voor hen in 2018 12.000 euro lager dan het gemiddelde jaarinkomen van zelfstandigen in de gehele economie. Bovendien zijn de financiële reserves in de vorm van vermogen bij zelfstandigen in ‘Cultuur, sport en recreatie’ het kleinst van alle economische sectoren.[11] Het verbaast dan ook weinig dat de roep om betere lonen binnen de culturele sector hard heeft geklonken in de laatste jaren, wat resulteerde in de vorig jaar ingevoerde Fair Practice Code.

Ook het sociale vangnet biedt  niet voor iedereen zekerheid. Uit de Zelfstandige Enquête Arbeid (ZEA), afgenomen onder meer dan 5.500 zelfstandig ondernemers blijkt dat veel zzp’ers, ook die in de culturele sector, geen arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenvoorzieningen hebben. Begin 2019 gaven ruim 4 op de 10 zelfstandig ondernemers zonder personeel aan geen enkele voorziening te hebben voor eventuele arbeidsongeschiktheid. Zij hebben geen verzekering voor het werk als zelfstandige, participeren niet in een broodfonds en kunnen ook niet terugvallen op spaargeld, beleggingen of op zet vermogen dat zit in hun bedrijf of eigen woning.

Precair werk

Een groot deel van de cultuursector bestaat dus uit zzp’ers en werknemers met flexibele contracten, waarvan velen relatief lage inkomsten, kleine buffers en weinig sociale voorzieningen hebben. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze in acute financiële problemen komen nu door corona de vraag naar hun diensten en producten afneemt en soms helemaal wegvalt. Hoewel sommige ondernemers en zzp’ers in deze crisis aanspraak kunnen maken op tijdelijke regelingen als TOZO (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers) en TOGS (Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren), blijken velen toch nog buiten de boot te vallen. Uit recent onderzoek naar de muziekindustrie in opdracht van Buma/Stemra en Sena blijkt bijvoorbeeld dat 40 procent van de meer dan 2.000 ondervraagde (zelfstandige) ondernemers aanspraak heeft gemaakt op TOZO en zo’n 10 procent op TOGS. Een derde van de respondenten in het onderzoek geeft aan niet in aanmerking te komen voor de tijdelijke regelingen.

De cijfers van het CBS bevestigen het beeld van onzekerheid en kwetsbaarheid dat ontstaat uit recente onderzoeken naar de gevolgen van corona op makers in de culturele sector. Maar misschien kunnen de cijfers ons nog meer bieden nu er, onder andere door de Raad voor Cultuur scenario’s worden ontwikkeld voor de toekomst van de cultuursector. Ze herinneren ons er ook aan dat de economische kwetsbaarheid van de culturele arbeidsmarkt gedeeltelijk toe te schrijven is aan de organisatie van arbeidsverhoudingen. Nu hoort de individuele manier van werken, die vaak niet vraaggestuurd is en daarmee een zekere mate van onzekerheid met zich meebrengt, wel een beetje bij de aard van sommige creatieve arbeid. Met het toenemende belang van creativiteit in de ontwikkeling van economische activiteiten in de laatste decennia, stond de beroepspraktijk van kunstenaars en andere creatieve makers zelfs model voor de vele ‘niet-standaard banen’ die de afgelopen decennia de traditionele standaard fulltime vaste aanstelling  vervingen, zo beschrijft Lijster in Verenigt U!

Verbinding en solidariteit

Wat staat ons te doen, nu de gevolgen van de coronacrisis bevestigen dat werk in de cultuursector voor een aanzienlijk deel precair is?  Lijster schetst een stevig dilemma: hoe kunnen we ondanks de fysieke distantie lotsverbondenheid creëren en nieuwe verbindingen met elkaar aangaan? Massaal naar het Malieveld lijkt voorlopig geen optie. Hij signaleert hierbij ook dat de cultuurmakers onderling soms weinig solidair zijn. Door hun werk voor niks of weinig aan te bieden, kunnen makers het collectief ondermijnen en dragen ze onbedoeld ook bij aan het incalculeren van loyaliteit bij opdrachtgevers en werkgevers.

Toch denkt Lijster dat de culturele sector een voortrekkersrol kan spelen bij het adresseren van bestaansonzekerheid en het stimuleren van solidariteit, juist daar waar het gaat om verbinding met andere sectoren. Zoals cultuurmakers met hun beroepspraktijk model stonden voor arbeidsorganisatie in de afgelopen decennia, kunnen ze nu misschien een voortrekkersrol spelen in de ontwikkeling van alternatieve organisatievormen, zoals collectieve verbanden en zelforganisatie. Daarnaast, betoogt Lijster, kunnen kunstenaars met hun verbeeldingskracht een belangrijke rol spelen in het collectief maken van persoonlijke ervaringen, en daarmee zelfstandigen en werknemers in verschillende domeinen, ook internationaal, verbinden.

Vlak nadat we Thijs Lijster over de telefoon spraken, verschenen er op het Malieveld ineens witte beelden van een vakkenvuller, een kunstenaar, een schoonmaker, een vuilnisman, een verpleegkundige, een leraar, een politieagent, een journalist, onze minister-president en de topman van KLM. Allen op een sokkel, maar de één iets hoger dan de ander. Met deze campagne stellen initiatiefnemers Platform BK en bedenker Yuri Veerman de vraag: ‘Hoeveel geld verdient een held?’. We kunnen nu misschien niet massaal naar het Malieveld, maar wel samen precair werk binnen en buiten de cultuursector verbeelden en bevragen.

 

De aftrap van de beeldcampagne 'Dit zijn onze helden' van Platform BK op het Malieveld. Den Haag, 20 mei 2020. Concept: Yuri Veerman. Foto: Sjoerd Knibbeler.

Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd door de Boekmanstichting, als onderdeel van het coronaplatform voor onderzoeksvragen en kennisdeling in cultuur, waarmee de Boekmanstichting een bijdrage levert aan het gesprek over de impact en gevolgen van de coronapandemie op de culturele sector. Lees hier meer van en over de Boekmanstichting. Platform BK dankt de Boekmanstichting, Claartje Rasterhoff, Bjorn Schrijen en Thijs Lijster zeer voor hun toestemming deze tekst te herpubliceren.

Noten

[1] CBS, ‘Feiten en cijfers over de cultuur, sport en recreatie’, CBS, 24 april 2020, https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2020/17/feiten-en-cijfers-over-de-cultuur-sport-en-recreatie.

[2] CBS, ‘Bedrijven; bedrijfstak’ (smalle selectie culturele en creatieve sector), CBS, 15 april 2020, www.opendata.cbs.nl. Alle cijfers over bedrijven in 2019 en 2020 die in dit artikel genoemd worden, hebben in de brondata een (nader) voorlopige status. Dat geldt ook voor het aantal genoemde zelfstandigen in 2016.

[3] CBS, ‘Bedrijven; bedrijfstak’ (brede selectie culturele en creatieve sector), CBS, 15 april 2020, www.opendata.cbs.nl. Deze indeling van de culturele sector sluit aan bij de indeling die het CBS eerder maakte voor Cultuur in Beeld. Voor een overzicht van de deelsectoren die hieronder vallen, zie CBS, Cultuur in beeld 2018 (Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de statistiek, 2018).

[4] CBS, ‘Bedrijven; bedrijfstak’ (gehele economie), CBS, 15 april 2020, www.opendata.cbs.nl.

[5] CBS, Cultuur in beeld 2018.

[6] CBS, ‘Arbeidsdeelname; kerncijfers’, CBS, 13 februari 2020, www.opendata.cbs.nl.

[7] CBS, ‘Werkzame beroepsbevolking; bedrijf’, CBS, 29 november 2019, www.opendata.cbs.nl.

[8] Guy Standing, The Precariat: The New Dangerous Class (London: Bloomsbury, 2010), 10.

[9] Het maandbedrag is inclusief overwerk, en het jaarbedrag inclusief bijzondere beloningen.

[10] CBS, ‘Werkgelegenheid; banen, lonen, arbeidsduur, SBI2008; kerncijfers’, CBS, 30 september 2019, www.opendata.cbs.nl.

[11] CBS, ‘Zelfstandigen; inkomen, vermogen, bedrijfstak’, CBS, 22 november 2019, www.opendata.cbs.nl.




Over Thijs Lijster

Thijs Lijster is universitair docent kunst- en cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen, en daarnaast als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Culture Commons Quest Office van de Universiteit Antwerpen. In 2009 won hij de essayprijs van Vrij Nederland, in 2010 de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek en in 2015 de Boekman Dissertatieprijs. In 2019 verscheen 'Kijken, proeven, denken. Essays over kunst, kritiek en filosofie' en in de serie Nieuw licht het boekje 'Verenigt U! Arbeid in de 21ste eeuw'.


GERELATEERDE ITEMS